Belgisch Burgerlijk Wetboek

Boek 3 - Titel III. Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen

Hoofdstuk VI. - Bewijs van de verbintenissen en bewijs van de betaling

Afdeling I. - Schriftelijk bewijs : § II. De onderhandse akte

Wettekst anno 2006:


Art. 1322. Een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, heeft tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht als een authentieke akte.
  (Kan, voor de toepassing van dit artikel, voldoen aan de vereiste van een handtekening, een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont.) <W 2000-10-20/40, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

 Art. 1323. Hij tegen wie men zich op een onderhandse akte beroept, is verplicht zijn schrift of zijn handtekening op stellige wijze te erkennen of te ontkennen.
  Zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden kunnen volstaan met te verklaren dat zij het schrift of de handtekening van hun rechtsvoorganger niet kennen.

Art. 1324. Ingeval een partij haar schrift of haar handtekening ontkent, en ingeval haar erfgenamen of rechtverkrijgenden verklaren dat zij dat schrift of die handtekening niet kennen, wordt een gerechtelijk onderzoek naar de echtheid ervan bevolen.

Art. 1325. Onderhandse akten die wederkerige overeenkomsten bevatten, zijn slechts geldig voor zover zij opgemaakt zijn in zoveel originelen als er partijen zijn die een onderscheiden belang hebben.
  Eén origineel is voldoende voor allen die hetzelfde belang hebben.
  In elk origineel moet vermeld worden hoeveel originelen zijn opgemaakt.
  Echter kan het ontbreken van de vermelding dat de originelen in tweevoud, drievoud enz., zijn opgemaakt niet ingeroepen worden door hem die zijnerzijds de overeenkomst heeft uitgevoerd, welke in de akte is vervat.

Art. 1326. Een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, moet geheel geschreven zijn met de hand van de ondertekenaar; of tenminste moet deze, benevens zijn handtekening, met de hand een goed voor of een goedgekeurd voor geschreven hebben, waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak voluit in letters is uitgedrukt.
  Uitgezonderd ingeval de akte uitgaat van kooplieden, ambachtslieden, landbouwers, wijngaardeniers, dagloners of dienstboden.

Art. 1327. Indien de som die in de akte zelf is uitgedrukt, verschilt van die welke bij het "goed voor" is uitgedrukt, wordt de verbintenis vermoed slechts voor de minste som te zijn aangegaan, zelfs wanneer de akte, alsook het "goed voor", geheel geschreven zijn met de hand van hem die zich verbonden heeft, tenzij bewezen wordt waar de vergissing ligt.

Art. 1328. Onderhandse akten hebben, ten aanzien van derden, geen dagtekening dan van de dag waarop zij zijn geregistreerd, ofwel van de dag van het overlijden van degene of van een van degenen die de akten ondertekend hebben, ofwel van de dag waarop de hoofdinhoud ervan is vastgesteld in akten door openbare ambtenaren opgemaakt, zoals processen-verbaal van verzegeling of van boedelbeschrijving.

Art. 1329. Koopmansboeken bewijzen de daarin vermelde leveringen niet tegen personen die geen koopman zijn, behoudens wat met betrekking tot de eed zal worden bepaald.

Art. 1330. Boeken van kooplieden leveren bewijs op tegen hen; maar hij die daaruit voordeel wil trekken, kan ze niet splitsen met het oog op hetgeen daarin strijdig is met zijn bewering.

Art. 1331. Huiselijke registers en papieren leveren geen bewijs op ten voordele van degene die ze geschreven heeft. Zij leveren bewijs op tegen hem : 1° in alle gevallen waarin zij uitdrukkelijk melding maken van een ontvangen betaling; 2° wanneer zij uitdrukkelijk vermelden dat de aantekening gemaakt is om te voorzien in het ontbreken van een titel ten behoeve van degene in wiens voordeel zij een verbintenis vaststellen.

Art. 1332. Aantekeningen, door de schuldeiser geschreven aan de voet, op de kant of op de rug van een titel die altijd in zijn bezit gebleven is, leveren bewijs op, hoewel zij door hem noch ondertekend noch gedagtekend zijn, wanneer zij ertoe strekken de bevrijding van de schuldenaar vast te stellen.
  Hetzelfde geldt voor aantekeningen door de schuldeiser geschreven op de rug, of op de kant, of aan de voet van het dubbel van een titel of van een kwijting, mits dit dubbel in handen van de schuldenaar is.