Belgisch Burgerlijk Wetboek Boek 3 - Titel III. Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen : Hoofdstuk VI. - Bewijs van de verbintenissen en bewijs van de betaling

Afdeling II. - Bewijs door getuigen Art. 1341-1348

Art. 1341. (Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van (375 EUR) te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan (375 EUR).) <W 10-12-1990, art. 1> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel.

Art. 1342. De hiervoren bepaalde regel is van toepassing ingeval een vordering, benevens de eis van het kapitaal, ook de eis omvat van interest die, samen met het kapitaal, meer dan ((375 EUR)) bedraagt. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1343. Hij die een vordering heeft ingesteld die meer dan ((375 EUR)) bedraagt, kan tot het bewijs door getuigen niet meer toegelaten worden, zelfs al verminderde hij zijn oorspronkelijke vordering. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1344. Zelfs indien de gevorderde som minder bedraagt dan ((375 EUR)), kan het bewijs door getuigen niet toegelaten worden, wanneer blijkt dat die som het overschot of een gedeelte is van een grotere schuldvordering die niet door geschrift bewezen is. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1345. Indien een partij in een zelfde geding verscheidene eisen instelt, waarvoor geen schriftelijke titel bestaat, en die eisen, samen genomen, meer dan ((375 EUR)) bedragen, kan het bewijs door getuigen niet toegelaten worden, zelfs indien de partij beweert dat die schuldvorderingen voortkomen uit verschillende oorzaken, en dat zij ontstaan zijn op verschillende tijdstippen, behalve wanneer die rechten door erfenis, door schenking of op andere wijze, van verschillende personen afkomstig zijn. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; ED : 01-01-2002>

Art. 1346. Alle eisen, uit welken hoofde ook, die niet volledig door geschrift bewezen zijn, worden bij één en hetzelfde exploot ingesteld; na dit exploot zijn de overige eisen, waarvoor geen schriftelijk bewijs aanwezig is, niet meer ontvankelijk.

Art. 1347. De hiervoor bepaalde regels lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.
  Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

Art. 1348. Die regels lijden eveneens uitzondering in alle gevallen waarin het de schuldeiser niet mogelijk geweest is zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem is aangegaan.
  Deze tweede uitzondering is van toepassing :
  1° Op verbintenissen die ontstaan uit oneigenlijke contracten en uit misdrijven of oneigenlijke misdrijven;
  2° Op bewaargevingen uit noodzaak in geval van brand, instorting, wanordelijkheden of schipbreuk, en op bewaargevingen door reizigers die hun intrek nemen in een hotel, alles naar gelang van de hoedanigheid van de personen en de omstandigheden van het feit;
  3° Op verbintenissen die aangegaan worden bij onvoorziene voorvallen, waarbij men geen schriftelijke akten heeft kunnen opmaken;
  4° Ingeval de schuldeiser de titel die hem tot schriftelijk bewijs diende, verloren heeft ten gevolge van een onvoorzien en door overmacht veroorzaakt toeval.