Belgisch Burgerlijk Wetboek : Boek II. - Goederen en verschillende beperkingen van de eigendom
Titel IV. Erfdienstbaarheden of grondlasten :  Hoofdstuk III. Erfdienstbaarheden die door 's mensen toedoen gevestigd worden

Afdeling IV. Hoe erfdienstbaarheden teniet gaan

Art. 703. Erfdienstbaarheden gaan teniet wanneer de zaken zich in zodanige staat bevinden dat men daarvan geen gebruik meer kan maken.

  Art. 704. Zij herleven wanneer de zaken in zodanige staat hersteld worden dat men daarvan gebruik kan maken, tenzij reeds voldoende tijd verlopen is om te laten vermoeden dat de erfdienstbaarheid is teniet gegaan, gelijk in artikel 707 is bepaald.

  Art. 705. Alle erfdienstbaarheden gaan teniet wanneer het heersende erf en het dienstbare erf in dezelfde hand verenigd worden.

  Art. 706. Een erfdienstbaarheid gaat teniet door het niet uitoefenen daarvan gedurende dertig jaren.

  Art. 707. Naar gelang van de onderscheiden soorten van erfdienstbaarheden beginnen de dertig jaren te lopen ofwel, wanneer het niet voortdurende erfdienstbaarheden betreft, van de dag dat men heeft opgehouden daarvan gebruik te maken, ofwel, wanneer het voortdurende erfdienstbaarheden betreft, van de dag dat een met de erfdienstbaarheid strijdige daad is verricht.

  Art. 708. De wijze van gebruik van een erfdienstbaarheid verjaart evenals de erfdienstbaarheid zelf en op gelijke manier.

  Art. 709. Wanneer het erf ten voordele waarvan een erfdienstbaarheid gevestigd is, aan verscheidene eigenaars onverdeeld toebehoort, belet het genot van een van hen de verjaring ten opzichte van allen.

  Art. 710. Indien zich onder de medeëigenaars iemand bevindt, tegen wie de verjaring niet kan lopen, zoals een minderjarige, bewaart deze het recht van alle overigen.

  Art. 710bis. <Ingevoegd bij W 22-02-1983, art. 1> Op verzoek van de eigenaar van het lijdend erf kan de rechter de afschaffing van een erfdienstbaarheid bevelen wanneer deze ieder nut voor het heersend erf heeft verloren.