Burgerlijk Wetboek
Boek 2: Titel  I. - Onderscheid van de goederen
Hoofdstuk I. - Onroerende goederen

Hoofdstuk II. - Roerende goederen

Art. 527. Goederen zijn roerend uit hun aard of door wetsbepaling.

Art. 528. Roerend uit hun aard zijn verplaatsbare zaken, zowel die welke zich zelf bewegen, zoals dieren, als die welke slechts van plaats kunnen veranderen door de werking van een vreemde kracht, zoals levenloze dingen.

Art. 529. Roerend door wetsbepaling zijn verbintenissen en vorderingen die opeisbare geldsommen of roerende goederen betreffen, aandelen of belangen in maatschappijen van geldhandel, koophandel of nijverheid, ook wanneer onroerende goederen, tot die ondernemingen betrekking hebbende, aan de maatschappijen toebehoren. Die aandelen of behangen worden slechts ten opzichte van ieder der deelgenoten geacht roerend te zijn, zolang de maatschappij duurt.
  Ook roerend door wetsbepaling zijn altijddurende renten of lijfrenten, hetzij ten laste van de Staat, hetzij ten laste van bijzondere personen.

Art. 530. Elke altijddurende rente, gevestigd als koopprijs van een onroerend goed of als voorwaarde voor de overdracht van een onroerend goed onder bezwarende titel of om niet, is essentieel aflosbaar.
  Het staat echter de schuldeiser vrij de bedingen en voorwaarden van de aflossing te bepalen.
  Het is hem ook geoorloofd te bepalen dat de rente hem niet zal kunnen worden terugbetaald dan na een zekere termijn, die nooit dertig jaren mag overschrijden; elk hiermee strijdig beding is nietig.

Art. 531. Vaartuigen, ponten, schepen, molens en badinrichtingen op vaartuigen, en in het algemeen alle nijverheidsinrichtingen die niet door palen bevestigd zijn en van het huis geen deel uitmaken, zijn roerend; beslag op sommige van die voorwerpen kan nochtans, uit hoofde van hun belangrijkheid, onderworpen worden aan bijzondere vormen, zoals in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader bepaald zal worden.

Art. 532. De bouwstoffen die van de afbraak van een gebouw voortkomen of die zijn bijeengebracht om een nieuw gebouw op te trekken, zijn roerend totdat zij door arbeiders in een gebouw zijn verwerkt.

Art. 533. Onder het woord inboedel, in een wetsbepaling of een beschikking van de mens, alleen en zonder enige toevoeging of aanwijzing gebruikt, zijn niet begrepen gereed geld, edelgesteenten, inschulden, boeken, gedenkpenningen, werktuigen voor wetenschappen, kunsten en ambachten, lijflinnen, paarden, rijtuigen, wapens, granen, wijnen, hooi en andere waren; het bevat ook niet wat het voorwerp van een handel uitmaakt.

Art. 534. Onder het woord huisraad zijn alleen begrepen de meubelen, die dienen tot gebruik en versiering van de vertrekken zoals behangsels, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porselein en andere voorwerpen van dien aard.
  Eveneens zijn daaronder begrepen de schilderijen en de beelden die van de inboedel van een vertrek deel uitmaken, doch niet de verzamelingen van schilderijen die in bijzondere galerijen of vertrekken mochten zijn geplaatst.
  Hetzelfde geldt voor porselein : alleen het porselein dat van de versiering van een vertrek deel uitmaakt, is onder de benaming huisraad begrepen.

Art. 535. Onder de uitdrukking roerende goederen en onder de uitdrukking roerende voorwerpen of roerende zaken wordt in het algemeen begrepen alles wat voor roerend wordt gehouden volgens de hierboven vastgestelde regels.
  De verkoop of de schenking van een gemeubileerd huis omvat alleen het huisraad.

Art. 536. De verkoop of de schenking van een huis, met alles wat zich daarin bevindt, omvat niet het gereed geld, noch de inschulden of andere rechten waarvan de titels in het huis mochten zijn neergelegd; alle andere roerende zaken zijn daarin begrepen.

Hoofdstuk III. - Goederen met betrekking tot hun bezitters