Burgerlijk Wetboek
Boek 2: Titel  I. - Onderscheid van de goederen : Hoofdstuk I. - Onroerende goederen - Hoofdstuk II. - Roerende goederen

Hoofdstuk III. - Goederen met betrekking tot hun bezitters

Art. 537. Bijzondere personen beschikken vrij over de hun toebehorende goederen, behoudens de door de wetten gestelde beperkingen.
  Goederen die niet aan bijzondere personen toebehoren, worden beheerd en kunnen alleen worden vervreemd met inachtneming van de vormen en overeenkomstig de regels die daarvoor in het bijzonder bepaald zijn.

  Art. 538. De wegen, banen en straten die ten laste zijn van de Staat, de bevaarbare of vlotbare stromen en rivieren, de stranden, aanwassen en gorzingen van de zee, de havens, ook getijhavens, de reden en, in het algemeen, alle gedeelten van het Belgisch grondgebied die niet vatbaar zijn voor bijzondere eigendom, worden beschouwd als behorend tot het openbaar domein.

  Art. 539. Alle goederen die onbeheerd zijn en geen eigenaar hebben, alsook de goederen van personen die zonder erfgenamen overlijden of wier erfenis is verlaten, behoren tot het openbaar domein.

  Art. 540. Poorten, muren, grachten, wallen van versterkte plaatsen en van vestigingen maken ook deel uit van het openbaar domein.

  Art. 541. Hetzelfde geldt voor de gronden, vestingwerken en wallen van plaatsen die geen versterkte plaatsen meer zijn : zij behoren toe aan de Staat, behalve indien zij op geldige wijze vervreemd zijn of de eigendom ervan tegen de Staat verjaard is.

  Art. 542. Gemeentegoederen zijn die waarop de inwoners van een of meer gemeenten een verkregen recht van eigendom of van genot hebben.

  Art. 543.  Men kan op de goederen, of een recht van eigendom, of enkel een recht van genot, of enkel een recht van erfdienstbaarheid hebben.