Wet van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht

Wettekst anno 2006:


Art. 1
   Erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot te hebben van een aan eenen anderen toebehoorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelden, als eene erkentenis van deszelfs eigendom, eene jaarlijksche pacht te voldoen, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten.
   De titel van aankomst van het erfpachtsregt moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven.


Art. 2
   Erfpachtsregt mag, noch voor eenen langeren tijd dan negen en negentig jaren, noch voor eenen korteren tijd dan zeven en twintig jaren, worden gevestigd.


Art. 3
   De erfpachter oefent alle de regten uit, welke aan den eigendom van het erf verknocht zijn, doch hij vermag niets te verrigten, waardoor de waarde van den grond zoude worden verminderd.
   Hij mag alzoo, onder andere, geene af- of uitgravingen doen van steen, steenkolen, turf, klei of andere soortgelijke tot het erf behoorende grondspecien, ten ware de ontginning reeds mogt zijn aangevangen, toen zijn regt is geboren.


Art. 4
   De boomen, welke gedurende het erfpachtsregt sterven, of door een toeval worden omgeworpen, komen ten voordeele van den erfpachter, mits hij andere in derzelver plaats stelle.
   Hij heeft insgelijks de vrije beschikking over alle beplantingen, door hem zelven aangelegd.


Art. 5
   De grondeigenaar is tot geenerlei reparatie gehouden.
   Daarentegen is de erfpachter verpligt het in erfpacht uitgegeven goed te onderhouden, en daaraan de gewone reparatien te doen.
   Hij mag door het stellen van gebouwen, of door het ontginnen of beplanten van gronden, het erf verbeteren.


Art. 6
   Hij is bevoegd om zijn regt te vervreemden, met hypotheek te belasten, en den grond, in erfpacht uitgegeven, met dienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zijn genot.


Art. 7
   Bij het eindigen van zijn regt, kan hij wegnemen alle zoodanige door hem gestelde gebouwen of gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht der overeenkomst, niet gehouden was; doch hij is verpligt de schade te vergoeden, welke door dat wegnemen aan den grond mogt veroorzaakt zijn.
   Niettemin heeft de grondeigenaar regt van terughouding op die voorwerpen, tot dat de erfpachter hem het verschuldigde volledig voldaan heeft.


Art. 8
   De erfpachter is onbevoegd om van den grondeigenaar te vorderen dat hij de waarde betale van de gebouwen, werken, betimmeringen en beplantingen, hoe genaamd, welke eerstgemelde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen der erfpacht op den grond bevinden.


Art. 9
   Hij draagt alle belastingen, welke op het erf zijn gelegd, het zij gewone, het zij buitengewone, het zij jaarlijksche, het zij dezulke die slechts eenmaal moeten worden betaald.


Art. 10
   De verpligting om de erfpacht te voldoen is onsplitsbaar, blijvende ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond voor de geheele pacht aansprakelijk.
   De erfpachter kan bij parate executie tot de betaling worden genoodzaakt.


Art. 11
   De erfpachter kan geenerlei vrijstelling van betaling der pacht vorderen, noch uit hoofde van vermindering, noch van het geheel ophouden des genots.
   Zoo niettemin de erfpachter gedurende vijf achtereenvolgende jaren van het geheel genot is beroofd geweest, zal hem kwijtschelding verschuldigd zijn voor den tijd van zijn gemis.


Art. 12
   Ter zake van elken overgang van het erfpachtsregt of van verdeeling eener gemeenschap, is geen buitengewone uitkeering daarvoor verschuldigd.


Art. 13

   Bij het eindigen van het erfpachtsregt, heeft de eigenaar tegen den erfpachter eene personele regtsvordering tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, veroorzaakt door nalatigheid en gebrek van onderhoud van het erf, en voor de regten die de erfpachter door zijne schuld mogt hebben laten verjaren.


Art. 14
   Wanneer het erfpachtsregt door het verloop des tijds is geeindigd, wordt hetselve niet stilzwijgend vernieuwd, doch kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot weder-opzegging toe.


Art. 15
   De erfpachter kan van zijn regt worden vervallen verklaard, ter zake van merkelijke aan het goed toegebragte schade, of van het grovelijk misbruiken daarvan; onverminderd de regtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.


Art. 16
   De erfpachter zal de vervallenverklaring, uit hoofde van aan het goed toegebragte schade of misbruik van genot, kunnen verhinderen, wanneer hij de zaken in haren vorigen staat herstelt, en voor het vervolg voldoende verzekering geeft.


Art. 17
   Alle de bij deze titel vastgestelde verordeningen zullen alleen plaats grijpen, voor zoo verre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken, behoudens echter de bepalingen van artikel 2 hierboven.


Art. 18
   Erfpachtsregt gaat op dezefde wijze als het regt van opstal verloren.