Decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
Titel III Bodemsanering - Hoofdstuk VIII. Overdrachten

Afdeling II. Overdracht van risicogronden

Onderafdeling III. Historische bodemverontreiniging
A. Saneringsplicht
Art. 109

B. Vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 110

§ 1.  De overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan of de vereisten vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of op basis van het gemotiveerd standpunt van de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde van oordeel is dat aan een van de volgende elementen voldaan is:
    1° de bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op de over te dragen grond;
    2° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van gebruiker;
    3° de overdrager voldoet cumulatief aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar;
    4° de exploitant of gebruiker die op de over te dragen grond aanwezig is, voldoet niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, en de bodemverontreiniging is volledig tot stand gekomen tijdens de periode dat de exploitant de grond in exploitatie of de gebruiker de grond in gebruik had, als het gaat om een overdrager die de hoedanigheid heeft van eigenaar.

§ 2.  In afwijking van de bepalingen van § 1 is de overdrager alsnog verplicht het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of de vereisten, vermeld in artikel 109, § 2, na te leven, als de OVAM een van de volgende elementen aantoont:
    1° een rechtsvoorganger van de overdrager heeft de bodemverontreiniging veroorzaakt;
    2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen tijdens de periode dat een rechtsvoorganger van de overdrager de grond in exploitatie, in gebruik of in eigendom had.


Art. 111