law - tax - act

24/12/1996 Wet betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen

   (B.S., 31 december 1996)


Overgangsbepaling
   Overgangsbepalingen: art. 12 en 13 Decr. Vl. Parl. 30 mei 2008 (B.S., 4 juli 2008).
   Duitse vertaling: art. 1 K.B. 20 oktober 1997 (B.S., 10 december 1997).
   Opgeheven, voor het Vlaams Gewest, bij art. 12 Decr. Vl. Parl. 30 mei 2008 (B.S., 4 juli 2008).
   Gecodificeerd bij art. 2, 14° B. W. Reg. 22 april 2004 (B.S., 12 augustus 2004 (eerste uitg.)), met uitzondering van de artikelen 13, 14 en 15.

Art. 1
   Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.


Art. 2
   Deze wet is van toepassing op de door de provincies en de gemeenten gevestigde belastingen.
   Zij is echter niet van toepassing op de aanvullende belastingen op de belastingen van de federale overheid.


  Vestiging provincie- en gemeentebelasting (federaal), toepassingsgebied

Art. 3
   De belastingen worden ingevorderd bij wege van kohieren of contant geïnd tegen afgifte van een betalingsbewijs.
   De kohierbelasting moet worden betaald binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
   Wanneer de contante inning niet kan worden uitgevoerd, wordt de belasting ingekohierd en is ze onmiddellijk eisbaar.


  Vestiging provincie- en gemeentebelasting (federaal), kohieren

Art. 4

§ 1.
   De kohieren worden vastgesteld en uitvoerbaar verklaard ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het dienstjaar door:  – het college van burgemeester en schepenen, voor de gemeentebelastingen;
 – de gouverneur of de persoon die hem in zijn ambt vervangt, voor de provinciebelastingen..

   Het kohier wordt tegen ontvangstbewijs overgezonden aan de met de invordering belaste ontvanger die onverwijld instaat voor de verzending van de aanslagbiljetten. Deze verzending gebeurt zonder kosten voor de belastingplichtige.

§ 2.
   De rechten vastgesteld in de kohieren worden boekhoudkundig verbonden aan de ontvangsten van het dienstjaar waarin zij uitvoerbaar werden verklaard.

§ 3.
   De kohieren bevatten: 1° de naam van de gemeente of van de provincie die de belasting heeft gevestigd;
 2° de naam, voornamen of maatschappelijke benaming en het adres van de belastingplichtige;
 3° de datum van het reglement krachtens welke de belasting is verschuldigd;
 4° de benaming, de grondslag, het tarief, de berekening en het bedrag van de belasting, evenals het dienstjaar waarop zij betrekking heeft;
 5° het nummer van het artikel;
 6° de datum van uitvoerbaarverklaring;
 7° de verzendingsdatum;
 8° de uiterste betalingsdatum;
 9° de termijn waarbinnen de belastingplichtige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de instantie die bevoegd is om deze te ontvangen.



Verwerping van beroep
   Artikel 4 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet (   Grondwettelijk Hof nr. 92/2007, 20 juni 2007 (prejudiciële vraag) (B.S., 30 juli 2007)).

Art. 5
   Het aanslagbiljet bevat de verzendingsdatum en de gegevens vermeld in artikel 4, § 3.
   Als bijlage wordt een beknopte samenvatting toegevoegd van het reglement krachtens welke de belasting is verschuldigd.


  Vestiging provincie- en gemeentebelasting (federaal), aanslagbiljet

Verwerping van beroep
   Artikel 5 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet (   Grondwettelijk Hof nr. 92/2007, 20 juni 2007 (prejudiciële vraag) (B.S., 30 juli 2007)).

Art. 6
   Indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, wordt, bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting ambtshalve ingekohier.
   Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
   De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
   De ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag kan slechts geldig worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het dienstjaar. Deze termijn wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen.
   De belastingverordening kan bepalen dat de ambtshalve ingekohierde belastingen worden verhoogd met het bedrag dat zij vastlegt en dat het dubbel van de verschuldigde belasting niet mag overschrijden. Het bedrag van deze verhoging wordt ook ingekohierd.


  Vestiging provincie- en gemeentebelasting (federaal), aangifte, medewerking

Verwerping van beroep
   Artikel 6 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet (   Grondwettelijk Hof nr. 92/2007, 20 juni 2007 (prejudiciële vraag) (B.S., 30 juli 2007)).

Art. 7
   De overtredingen vermeld in artikel 6, eerste lid, worden vastgesteld door beëdigde, daartoe speciaal aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren worden aangewezen door de overheid die, overeenkomstig artikel 4, bevoegd is om de belastingkohieren vast te stellen.
   De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.


Art. 8
   Iedere belastingplichtige moet, op verzoek van het bestuur en zonder verplaatsing, alle boeken en bescheiden voorleggen die noodzakelijk zijn voor de vestiging van de belasting.
   De belastingplichtigen moeten eveneens de vrije toegang verlenen tot de al dan niet bebouwde onroerende goederen, die een belastbaar element kunnen vormen of bevatten of waar een belastbare activiteit wordt uitgeoefend, aan de ambtenaren die overeenkomstig artikel 7 worden aangesteld en voorzien zijn van hun aanstellingsbrief, en dit om de grondslag van de belasting vast te stellen en te controleren.
   Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben deze ambtenaren evenwel alleen toegang tussen vijf uur's morgens en negen uur 's avonds, en mits machtiging van de politierechter.


Art. 9
    [De belastingplichtige kan een bezwaar tegen een provincie- of gemeentebelasting indienen respectievelijk bij de gouverneur of bij het college van burgemeester en schepenen, die als bestuursoverheid handelen.
   De Koning bepaalt de op dit bezwaar toepasselijke procedure.]

Vorige versie(s)

  Vestiging provincie- en gemeentebelasting (federaal), bezwaar

Wetshistoriek
   Opnieuw opgenomen bij art. 91 W. 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999).
Voorgeschiedenis
   Vernietigd bij Abritagehof nr. 30/98, 18 maart 1998 (B.S., 1 april 1998).
Verwerping van beroep
   Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van artikel 91 van de wet van 15 maart 1999 (Arbitragehof nr. 114/2000, 16 november 2000 (B.S., 7 december 2000 (eerste uitg.))).

Art. 10
    [Tegen de beslissing genomen door de in artikel 9 bedoelde overheden kan beroep ingesteld worden bij de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de belasting gevestigd werd.
   Bij ontstentenis van beslissing wordt het bezwaar geacht gegrond te zijn. De artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
   Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg kan verzet of beroep ingesteld worden.
   Tegen het arrest van het hof van beroep kan voorziening in cassatie ingesteld worden.]

Vorige versie(s)

  Vestiging provincie- en gemeentebelasting (federaal), voorziening in hoger beroep en cassatie

Wetshistoriek
   Opnieuw opgenomen bij art. 92 W. 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999).
Voorgeschiedenis
   Vernietigd bij Abritagehof nr. 30/98, 18 maart 1998 (B.S., 1 april 1998).
Verwerping van beroep
   Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van artikel 92 van de wet van 15 maart 1999 (Arbitragehof nr. 114/2000, 16 november 2000 (B.S., 7 december 2000 (eerste uitg.))).
   Artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd bij artikel 92 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke die bepaling van toepassing is op de gerechtelijke fase van de rechtspleging inzake gemeentebelastingen.
   Geïnterpreteerd als zijnde niet van toepassing op de gerechtelijke fase van de rechtspleging inzake gemeentebelastingen schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 134/2004, 22 juli 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 12 oktober 2004)).

Art. 11
    [De vormen, de termijnen evenals de rechtspleging die toepasselijk zijn op de in artikel 10 bedoelde beroepen worden geregeld zoals inzake Rijksinkomstenbelastingen en gelden voor alle betrokken partijen.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Opnieuw opgenomen bij art. 93 W. 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999).
Voorgeschiedenis
   Vernietigd bij Abritagehof nr. 30/98, 18 maart 1998 (B.S., 1 april 1998).
Verwerping van beroep
   Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van artikel 93 van de wet van 15 maart 1999 (Arbitragehof nr. 114/2000, 16 november 2000 (B.S., 7 december 2000 (eerste uitg.))).

Art. 12
   Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de huidige wet, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, [7] tot 10 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen.
   De vervolgingen, de voorrechten en de wettelijke hypotheek voor de invordering van de provinciebelastingen die door het Bestuur der Douane en Accijnzen moeten worden geïnd, worden echter zoals inzake accijnzen uitgeoefend.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 94 W. 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999).
Verwerping van beroep
   Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van artikel 94 van de wet van 15 maart 1999 (Arbitragehof nr. 114/2000, 16 november 2000 (B.S., 7 december 2000 (eerste uitg.))).


Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 13
    [...]


Wetshistoriek
   Vernietigd bij arrest Abritagehof nr. 30/98 van 18 maart 1998 (B.S., 1 april 1998).


Opheffingsbepalingen

Art. 14
   Opgeheven worden: 1° de artikelen 8, 13 en 14 van de wet van 5 juli 1871 “qui apporte des modifications aux lois d'impôts";
 2° de wet van 29 april 1819 betreffende de gemeentebelastingen;
 3° artikel 5 van de wet van 26 december 1906, houdende de begroting van 's lands middelen voor het dienstjaar 1907;
 4° artikel 3 van de wet van 12 juli 1922, houdende de begroting van 's lands middelen voor het dienstjaar 1922;
 5° [...]
 6° de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen.



Wetshistoriek
   Enig lid, 5° vernietigd bij arrest Abritagehof nr. 30/98 van 18 maart 1998 (B.S., 1 april 1998).
Beperking toepassing
   Enig lid, 6° wordt vernietigd in zoverre het de bepalingen van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen, die werden vervangen door de bepalingen die moeten worden vernietigd, opheft (Arbitragehof nr. 30/98 van 18 maart 1998 (B.S., 1 april 1998)).


Inwerkingtreding

Art. 15
   Deze wet is van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen die contant worden geïnd vanaf 1 januari 1997 of die in kohieren zijn opgenomen welke vanaf dezelfde datum uitvoerbaar worden verklaard.