Directe belastingen >> Wetgeving >> Wetboek van de inkomstenbelastingen 92 >> WIB 92 - aanslagjaar 2008 (inkomsten 2007)

Titel III- Vennootschapsbelasting

Hoofdstuk I - Aan de belasting onderworpen vennootschappen
Artikel 179
Aan de vennootschapsbelasting zijn de binnenlandse vennootschappen onderworpen alsmede, vanaf 1 januari 1995, de gemeentespaarkassen als vermeld in artikel 124 van de nieuwe gemeentewet en de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.


----------------------------------------
Art. 179 :
   

    *
      art. 179 is van toepassing met ingang van 01.01.2007. (Art. 319, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006 [Voor de toepassing van de fiscale bepalingen worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarop de overgangsbepalingen van de wet van 20.07.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles van toepassing zijn, geacht vanaf 01.01.2007 onder het toepassingsgebied te vallen van de bepaling die overeenkomstig hun statuut gebruikt wordt in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.].
      
    *
      art. 179 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 94, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     179

 

Artikel 180


   Aan de vennootschapsbelasting zijn niet onderworpen :

    1° intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986 ;

    2° de NV Waterwegen en Zeekanaal, de NV De Scheepvaart, de CVBA Autonome Haven "du Centre et de l'Ouest", de Maatschappij der Brugse Zeevaartinrichtingen, de Haven van Brussel, de gemeentelijke autonome havenbedrijven van Antwerpen, Oostende en Gent en de autonome havens van Luik, Charleroi en Namen;

    3° de Nationale Delcrederedienst ;

    4° de Belgische Maatschappij voor de Financiering van de Nijverheid ;

    5° ...

    5°bis het Participatiefonds ;

    6° de Waalse Regionale Maatschappij voor Openbaar Personenvervoer en de exploitatiemaatschappijen die eraan zijn verbonden ;

    7° de Vlaamse Vervoermaatschappij en de autonome exploitatieëntiteiten binnen de Maatschappij ;

    8° de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel ;

    9° waterzuiveringsmaatschappijen beheerst door de wet van 26 maart 1971 ;

   10° ...

   11° de vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk Belgische Technische Coöperatie;

   12° de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;

   13° het Fonds voor spoorweginfrastructuur.

----------------------------------------
Art. 180 :
   

    *
      art. 180, 13°, is van toepassing met ingang van 01.01.2005. (Art. 5, KB 10.11.2006) B.S. 07.12.2006
        
    *
      art. 180, 2°, is van toepassing met ingang het aanslagjaar 2005. (Art. 285, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006
        
    *
      art. 180, 12°, is van toepassing met ingang van 17.12.2004. (Art. 5, KB 14.06.2004) B.S. 24.06.2004
        
    *
      art. 180, 2°, is van toepassing met ingang van 01.07.2004. (Art. 360, W 27.12.2004) B.S. 31.12.2004
       
    *
      art. 180, 5°, is van toepassing vanaf 16.07.2002. (Art. 45, W 19.04.2002) B.S. 04.05.2002 en (KB 09.07.2002) B.S. 16.07.2002
       
    *
      art. 180, 2°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2001. (Art. 31, W 12.08.2000) B.S. 07.09.2000 en (Art. 360, W 27.12.2004) B.S. 31.12.2004
       
    *
      art. 180, 11°, is van toepassing vanaf 24.02.1999. (Art. 32, W 21.12.1998) B.S. 30.12.1998
       
    *
      art. 180, 10°, is opgeheven met ingang van het aanslagjaar 2000. (Art. 31, W 12.08.2000) B.S. 07.09.2000
       
    *
      art. 180, 2°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1996. (Art. 2, W 06.07.1997 Art. 17, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 180, 2°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994. (Art. 25, W 06.07.1994) B.S. 16.07.1994
       
    *
      art. 180, 5°bis, is van toepassing met ingang van 01.01.1993. (Art. 82, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 180 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 94, WIB Art. 1, KB 10.04.1992 Art. 7, W 28.12.1992) B.S. 30.07.1992
          

Com.IB 92:     180

 

Artikel 181


    Aan de vennootschapsbelasting zijn ook niet onderworpen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en :

    1° uitsluitend of hoofdzakelijk het bestuderen, het beschermen en het bevorderen van de professionele of interprofessionele belangen van hun leden tot doel hebben ;

    2° het verlengstuk of de emanatie zijn van rechtspersonen als vermeld onder 1°, wanneer ze uitsluitend of hoofdzakelijk tot doel hebben het vervullen, in naam en voor rekening van hun aangeslotenen, van alle of van een deel van de verplichtingen of formaliteiten die aan die aangeslotenen zijn opgelegd wegens het feit dat zij personeel tewerkstellen of ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving, of het helpen van hun aangeslotenen bij het vervullen van die verplichtingen of formaliteiten ;

    3° ter uitvoering van de sociale wetgeving belast zijn met het innen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de fondsen bestemd voor de toekenning van de voordelen bepaald in die wetgeving ;

    4° uitsluitend of hoofdzakelijk het verstrekken of het steunen van onderwijs tot doel hebben ;

    5° uitsluitend of hoofdzakelijk het organiseren van handelsbeurzen of tentoonstellingen tot doel hebben ;

    6° door de bevoegde organen van de Gemeenschappen als dienst voor gezins- en bejaardenhulp zijn erkend ;

    7° erkend zijn voor de toepassing van artikel 104, 3°, b, d, e, h tot l, 4° en 4°bis, of erkend zouden zijn indien ze daartoe een aanvraag indienden of omdat ze aan alle voorwaarden voldoen waaraan de erkenning is onderworpen behoudens die welke erin bestaat de bedrijvigheid op nationaal vlak te ontwikkelen of een invloedssfeer te hebben die één van de gemeenschappen of gewesten of het gehele land bestrijkt, naar het geval.

    8° opgericht zijn met toepassing van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, voor zover hun activiteit louter bestaat in certificatie in de zin van de wet van 15 juli 1998 betreffende de certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen, en de door hen uitgegeven certificaten krachtens artikel 13, § 1, eerste lid, van dezelfde wet voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gelijkgesteld worden met de effecten waarop ze betrekking hebben.

 

----------------------------------------
Art. 181 :
   

    *
      art. 181, 7°, is van toepassing op de giften gestort vanaf 01.01.2005. (Art. 4, W 16.11.2004) B.S. 30.11.2004
        
    *
      art. 181, 7°, is van toepassing vanaf 31.12.2003. (Art. 285, W 22.12.2003) B.S. 31.12.2003
        
    *
      art. 181, 8°, is van toepassing vanaf 01.07.2003. (W 02.05.2002) B.S. 18.10.2002 - Erratum B.S. 19.10.2002 - Annulatie en vervanging (Art. 62, W 02.05.2002) B.S. 11.12.2002 - Inwerkingtreding (Art. 32, W 16.01.2003) B.S. 05.02.2003 en (Art. 4, KB 02.04.2003) B.S. 06.06.2003.
        
    *
      art. 181, 7°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1998. (Art. 18, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 181, 7°, is van toepassing met ingang van 13.09.1997. (Art. 3, W 14.07.1997) B.S. 03.09.1997
       
    *
      art. 181, 7°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1995. (Art. 85, W 06.07.1994) B.S. 16.07.1994
       
    *
      art. 181 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 94, WIB Art. 26, W 06.07.1994 Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     181

 

Artikel 182


    Voor verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven worden niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt :

    1° alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen ;

    2° verrichtingen die bestaan in het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van de statutaire opdracht ;

    3° verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd.


----------------------------------------
Art. 182 :
   

    *
      art. 182 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 94, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     182

 

HOOFDSTUK II

Grondslag van de belasting



Afdeling I

Algemene bepalingen



Artikel 183


    Onder voorbehoud van de in deze titel omschreven afwijkingen zijn, wat hun aard betreft, de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde als die welke inzake personenbelasting worden beoogd ; het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst.


----------------------------------------
Art. 183 :
   

    *
      art. 183 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 96, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     183

 

Artikel 184


    Het gestorte kapitaal is het statutaire kapitaal voorzover dat gevormd wordt door werkelijk gestorte inbrengen en voorzover er geen vermindering heeft plaatsgevonden.

    Uitgiftepremies en bedragen waarop ingeschreven wordt ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen worden gelijkgesteld met het kapitaal, op voorwaarde dat ze op het passief van de balans worden vermeld onder het eigen vermogen, op een rekening die, zoals het maatschappelijk kapitaal, de waarborg voor derden vormt en alleen kan worden verminderd ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de algemene vergadering, getroffen met inachtneming van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn op statutenwijzigingen.

    Wanneer een bedrijfsafdeling of een algemeenheid van goederen wordt ingebracht onder de voorwaarden voor toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die de inbreng had bij de inbrenger.

    Wanneer een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap wordt ingebracht onder de voorwaarden voor toepassing van artikel 231, § 3, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die, op het ogenblik van de inbreng, de inrichting had bij de inbrenger, na aftrek van :

    1° de voorheen belaste reserves ;

    2° de vrijgestelde reserves, andere dan :

    a) de in artikel 44, § 1, 1°, vermelde meerwaarden die waren vrijgesteld ;

    b) de in artikel 48 vermelde vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen.

    Wordt evenwel, onverminderd de toepassing van artikel 214, § 1, niet als gestort kapitaal aangemerkt, het netto-actief vermeld in artikel 26sexies van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, dat het maatschappelijk kapitaal uitmaakt van een vennootschap met een sociaal oogmerk of dat op een onbeschikbare reserverekening van die vennootschap wordt geboekt. Dat maatschappelijk kapitaal en die reserverekening worden slechts vrijgesteld voor zover is voldaan aan de voorwaarden als vermeld in artikel 190.

    Wordt evenwel, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 3°, niet als gestort kapitaal aangemerkt, het netto actief vermeld in Hoofdstuk Vquinquies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, dat het maatschappelijk kapitaal van een handelsvennootschap uitmaakt of dat op een onbeschikbare reserverekening van die vennootschap wordt geboekt. Dat maatschappelijk kapitaal en die reserverekening worden slechts vrijgesteld voor zover voldaan is aan de voorwaarden als vermeld in artikel 190.


----------------------------------------
Art. 184 :
   

    *
      art. 184, 1e en 2e lid, is van toepassing vanaf 22.02.2006, onder voorbehoud dat de bepalingen betrekking hebben op winstbewijzen zijn de bepalingen van de wet dd. 31.01.2006 van toepassing op winstbewijzen uitgegeven vanaf 01.01.2005. (Art. 3, W 31.01.2006) B.S. 22.02.2006
      
    *
      art. 184, 6e lid, is van toepassing vanaf 01.01.1999. (Art. 12, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
       
    *
      art. 184, 2e lid, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1998. (Art. 19, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 184, 5e lid, is van toepassing vanaf 01.07.1996. (Art. 19, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      Art. 184, 2e lid, wordt opgeheven voor de inbrengverrichtingen die plaatsvinden vanaf 30.03.1996. art. 184, 3e en 4e lid, is van toepassing op de inbrengverrichtingen die plaatsvinden vanaf 30.03.1996. (Art. 10, W 30.01.1996 Art. 19, W 22.12.1998) B.S. 30.03.1996
       
    *
      art. 184, 3e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1993. (Art. 16, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 184 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 15, WIB Art. 122, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     184

 

Afdeling II

Belastinggrondslag



Artikel 185


 

§ 1. Vennootschappen zijn belastbaar op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen.

§ 2. Onverminderd het tweede lid, voor twee vennootschappen die deel uitmaken van een multinationale groep van verbonden vennootschappen en met betrekking tot hun grensoverschrijdende onderlinge relaties :

a) indien tussen de twee vennootschappen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke vennootschappen, mag winst die één van de vennootschappen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die vennootschap;

b) indien in de winst van een vennootschap winst is opgenomen die eveneens is opgenomen in de winst van een andere vennootschap, en de aldus opgenomen winst bestaat uit winst die deze andere vennootschap zou hebben behaald indien tussen de twee vennootschappen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke vennootschappen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van de eerstbedoelde vennootschap op passende wijze herzien.

Het eerste lid vindt toepassing bij voorafgaande beslissing onverminderd de toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436) van 23 juli 1990 en de internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting.

 

----------------------------------------
Art. 185 :
   

    *
      art. 185 is van toepassing met ingang van 19.07.2004. (Art. 2, W 21.06.2004) B.S. 09.07.2004
         
    *
      art. 185 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 98, WIB Art. 100, WIB Art. 102, WIB art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992
        

Com.IB 92:     185

 

Artikel 185bis


    § 1. In afwijking van artikel 185 zijn de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 14, 19, 24, 99, 106 en 119 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, slechts belastbaar op het totaal van de ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen en van de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en kosten andere dan waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, onverminderd evenwel het feit dat zij de in artikel 219 bedoelde bijzondere bijdrage verschuldigd zijn.

    § 2. Wat de in § 1 bedoelde vennootschappen en organismen betreft, zijn de bepalingen van de artikelen 202 tot 205 en 285 tot 289 en van artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet van toepassing.

    § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak bedoeld in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004, de volgende bepalingen niet naleeft :

    1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling;

    2° een of meer statutaire regels die volgen uit het specifiek karakter van deze vennootschap als instelling voor collectieve belegging.

    Voor de toepassing van het eerste lid worden de onder het in de §§ 1 en 2 bedoelde regime voordien gevormde reserves beschouwd als :

    1° belaste reserves in de mate dat de private privak bewijst dat zij voortkomen van gerealiseerde meerwaarden of ontvangen dividenden van beleggingen bedoeld in artikel 192, § 3, 1° et 2°;

    2° vrijgestelde reserves voor het saldo en in zoverre het bedrag van die reserves op een of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning;

    3° winst van dat belastbare tijdperk indien en in zoverre de voorwaarden van het 2° niet langer worden nageleefd.

    De reserves bedoeld in het tweede lid, 2°, worden bovendien beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk waarin de vennootschappen bedoeld in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004 worden geschrapt van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 123, § 1, van deze wet, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 5°.

    De FOD Financiën kan de vennootschap schrappen van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 123, § 1, van de wet van 20 juli 2004 in de gevallen bepaald door de Koning of in geval van overtreding van statutaire regels bepaald door de Koning. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.

----------------------------------------
Art. 185bis :
   

    * art. 185bis is van toepassing met ingang van 01.01.2007. (Art. 320, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006 [Voor de toepassing van de fiscale bepalingen worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarop de overgangsbepalingen van de wet van 20.07.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles van toepassing zijn, geacht vanaf 01.01.2007 onder het toepassingsgebied te vallen van de bepaling die overeenkomstig hun statuut gebruikt wordt in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.].

Artikel 186


    Wanneer een vennootschap op enige wijze eigen aandelen verkrijgt, wordt als uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de verkrijgingsprijs of, bij ontstentenis daarvan, de waarde van die aandelen, en het gedeelte van het gerevaloriseerde gestorte kapitaal dat de verkregen aandelen vertegenwoordigen.

    In geval de aandelen vóór de ontbinding of de invereffeningstelling van de vennootschap worden verkregen onder de voorwaarden gesteld in de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, is het eerste lid slechts van toepassing :

    1° wanneer op de verkregen aandelen waardeverminderingen worden geboekt ;

    2° wanneer de aandelen worden vervreemd ;

    3° wanneer de aandelen worden vernietigd of van rechtswege nietig worden ;

    4° en uiterlijk bij de ontbinding of de invereffeningstelling van de vennootschap.

    In een geval als vermeld in het tweede lid, 1°, is het eerste lid alleen van toepassing tot het bedrag van de geboekte waardeverminderingen.

    In een geval als vermeld in het tweede lid, 2°, is het eerste lid alleen van toepassing tot het mindere verschil tussen de verkoopprijs en de verkrijgingsprijs of de waarde van de aandelen.

    In een geval als vermeld in het tweede lid, 2°, 3° en 4°, wordt het dividend in voorkomend geval verminderd met de in 1° van dat lid bedoelde reeds belaste waardeverminderingen.


----------------------------------------
Art. 186 :
   

    *
      art. 186 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 103, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     186

 

Artikel 187


    Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap gedeeltelijk wordt verdeeld ten gevolge van overlijden, uittreding of uitsluiting van een vennoot wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen of toekenningen in geld, in effecten of in enige andere vorm aan de belanghebbende of zijn rechthebbenden en zijn aandeel in de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.


----------------------------------------
Art. 187 :
   

    *
      art. 187 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 103, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 188


    In geval van toepassing van de artikelen 186 en 187 wordt het gestorte kapitaal verminderd met het deel daarvan dat door de verkregen aandelen wordt vertegenwoordigd of met het aandeel in het kapitaal van de overleden, uitgetreden of uitgesloten vennoot.

    Opneming van winst van het boekjaar of van gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, blijft buiten aanmerking bij het bepalen van de belastbare winst tot het bedrag van de in het vorige lid vermelde vermindering die geen aanleiding heeft gegeven tot een werkelijke vermindering van het kapitaal.


----------------------------------------
Art. 188 :
   

    *
      art. 188 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 103, WIB Art. 122, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 189


    § 1. In coöperatieve verbruiksverenigingen worden als winst aangemerkt de restorno's en voordelen die zijn verleend :

    1° aan vennoten, voor zover restorno's en voordelen voortkomen uit door de belanghebbenden niet zelf gedane aankopen ;

    2° aan niet-vennoten.

    § 2. Als coöperatieve verbruiksvereniging wordt aangemerkt die welke rechtstreeks aan de verbruikers verkoopt.

    De voordelen bestaan inzonderheid uit het mindere verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs, verhoogd met het evenredig aandeel der algemene kosten.

    Vennoten zijn uitsluitend leden die volledige maatschappelijke rechten hebben.

    De restorno's en voordelen worden ten name van de coöperatieve vereniging belast en worden bepaald zonder dat rekening wordt gehouden met de algemene uitslag van de onderneming.


----------------------------------------
Art. 189 :
   

    *
      art. 189 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 104, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     189

 

Afdeling III

Vrijgestelde inkomsten



Onderafdeling I

Meerwaarden



Artikel 190


    Het voor de personenbelasting geldende meerwaardenstelsel, bepaald in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47, is ook voor vennootschappen van toepassing.

    Met betrekking tot het vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden vermeld in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis en 47, is dat meerwaardenstelsel slechts van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.

    De voormelde voorwaarden zijn mede van toepassing op de in artikel 45 en 46, § 1, eerste lid, 2° , vermelde meerwaarden, behalve ingeval die meerwaarden niet worden uitgedrukt overeenkomstig het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen.

    Indien en in zover die laatste voorwaarden niet langer worden nageleefd in enig belastbaar tijdperk, wordt het vroeger vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden als winst van dat belastbare tijdperk beschouwd.

----------------------------------------
Art. 190 :
   

    *
      art. 190, 1e en 2e lid, is van toepassing op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 01.01.2000 en voorzover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is. (Art. 5, W 14.01.2003) B.S. 05.02.2003 en (Art. 2, KB 03.04.2003) B.S. 30.04.2003
    *
      art. 190, 3e lid, is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 06.02.2001 hebben plaatsgevonden (Art. 10, W 16.07.2001) B.S. 20.07.2001
       
    *
      art. 190 is van toepassing op de verrichtingen van fusie, splitsing, aannemen van een andere rechtsvorm of inbreng die vanaf 01.10.1993 plaatsvinden. (Art. 20, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 190 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 105, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Artikel 191


    De vennootschappen voor huisvesting die ingevolge artikel 216, 2°, b, aan een bijzonder belastingstelsel zijn onderworpen, worden van belasting vrijgesteld op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt ter gelegenheid van een overdracht van in België gelegen ongebouwde onroerende goederen.


----------------------------------------
Art. 191 :
   

    *
      art. 191 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1998. (Art. 21, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
    *
      art. 191 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 105, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     191

 

Artikel 192


    § 1. Volledig vrijgesteld zijn eveneens de niet in artikel 45, § 1, eerste lid, bedoelde meerwaarden verwezenlijkt op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 van de winst te worden afgetrokken.

    De vrijstelling is slechts van toepassing in zover het belastbare bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de overgedragen aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, werden belast.

    § 2. Wanneer met betrekking tot verrichtingen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2° , de herbelegging als bedoeld in artikel 47 deel uitmaakt van de inbreng of, in voorkomend geval, wanneer de inbrengverkrijgende vennootschap zich onherroepelijk verbonden heeft die herbelegging te verwezenlijken, wordt het op het ogenblik van de verrichting voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarde als vermeld in artikel 47 , ten name van de vroegere belastingplichtige volledig vrijgesteld, onverminderd de toepassing betreffende die meerwaarde, van de bepalingen van artikel 190 ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap. Het boekhoudkundig uitdrukken van die meerwaarde ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap blijft zonder invloed op de vaststelling van het resultaat van het belastbaar tijdperk.

    § 3. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, wordt de voorwaarde verbonden aan de eventuele inkomsten van aandelen van private privaks bedoeld in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, geacht vervuld te zijn wanneer deze het geheel van hun activa beleggen :

    1° in aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, § 1, en 203 integraal van de winst te worden afgetrokken; of

    2° in aandelen van in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004 bedoelde private privaks; of

    3° in bijkomende of tijdelijke termijnbeleggingen van maximaal 6 maanden of liquiditeiten voorzover deze beleggingen per kalenderdag niet meer dan 10 pct. overschrijden van het balanstotaal op de eerste dag van het belastbaar tijdperk, zoals blijkt uit de toepassing van de gemeenrechtelijke boekhoudregels, vermeerderd of verminderd met de tot die kalenderdag geboekte toenames of afnamen van gestort kapitaal, gerealiseerde meerwaarden of minderwaarden of uitgekeerde dividenden, en dit voor een periode die, per belastbaar tijdperk, ten minste gelijk is aan dat belastbaar tijdperk verminderd met zes maanden.

    Voor de toepassing van deze paragraaf, worden beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 119 van deze wet.

----------------------------------------
Art. 192 :
   

    *
      art. 192, § 3, is van toepassing met ingang van 01.01.2007. (Art. 321, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006 [Voor de toepassing van de fiscale bepalingen worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarop de overgangsbepalingen van de wet van 20.07.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles van toepassing zijn, geacht vanaf 01.01.2007 onder het toepassingsgebied te vallen van de bepaling die overeenkomstig hun statuut gebruikt wordt in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.].
       
    *
      art. 192, § 1, 1e lid, is van toepassing op leningen van aandelen afgesloten vanaf 01.02.2005. (Art. 42, W 15.12.2004) B.S. 01.02.2005
       
    *
      art. 192, § 1, 1e lid, is van toepassing op de aandelen uitgeleend vanaf 14.04.1999. (Art. 48, W 10.03.1999) B.S. 14.04.1999
    *
      art. 192, § 2, is van toepassing op de belastingvrije inbrengen verricht vanaf 15.01.1999. (Art. 22, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 192, 1e lid, is van toepassing op de verrichtingen van fusie, splitsing, aannemen van een andere rechtsvorm of inbreng die vanaf 01.10.1993 plaatsvinden. (Art. 8, W 28.12.1992 Art. 21, KB 20.12.1996 Art. 22, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 192 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 105bis, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     192

 

Artikel 193


    De in artikel 44, § 2 , vermelde vrijstelling op verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van landbouw- of tuinbouwondernemingen is niet van toepassing.

---------------------------

Art. 193:    

    * art. 193 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 106, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     193

 

Onderafdeling Ibis.- Vrijgestelde gewestelijke steunmaatregelen

Artikel 193bis


    § 1. De tewerkstellingspremies en beroepsoverstappremies, die door de bevoegde gewestelijke instellingen worden toegekend aan vennootschappen en die beantwoorden aan de in de Verordening (EG) nr. 2204/2002 van 12 december 2002 van de Europese Commissie inzake de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor tewerkstelling gestelde voorwaarden of die in dat kader door de Europese Commissie worden aanvaard of aanvaard zijn, zijn vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste.

    Kapitaal- en interestsubsidies die door de gewesten in het kader van de economische expansiewetgeving worden toegekend aan vennootschappen om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, zijn vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste.

    § 2. In geval van vervreemding van één van de in § 1, tweede lid, vermelde vaste activa, anders dan bij schadegeval, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, die gedurende de eerste drie jaren van de investering plaatsvindt, wordt het bedrag van de voorheen vrijgestelde winst geacht een winst te zijn van het belastbaar tijdperk gedurende hetwelk de vervreemding heeft plaatsgevonden.

----------------------------------------
Art. 193bis :    

    * art. 193bis is van toepassing op premies en subsidies die worden betekend vanaf 01.01.2006 en voor zover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2007 verbonden is. (Art. 117, W 23.12.2005) B.S. 30.12.2005. Elke wijziging die vanaf 18.11.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking.

Onderafdeling II

Ondernemingen die in België afzettingen van vloeibare of gasachtige koolwaterstoffen ontginnen



Artikel 194


    § 1. In ondernemingen die in België afzettingen van vloeibare of gasachtige koolwaterstoffen ontginnen, zijn de sommen die door opneming op de jaarlijkse winst worden gebruikt voor het aanleggen van een voorziening vrijgesteld in zover dat zij niet meer bedragen dan 50 pct. van de belastbare winst uit de verkoop, in ruwe staat of na veredeling van de produkten gewonnen uit in België ontgonnen lagen.

    De vrijstelling wordt slechts behouden indien de op de datum van afsluiting van een bepaald boekjaar aangelegde voorziening binnen 5 jaar na die datum in de onderneming in België van de belastingplichtige wordt belegd in beroepsimmobiliën en -uitrusting of in deelnemingen in binnenlandse vennootschappen.

    Ingeval één of andere van deze voorwaarden niet wordt uitgevoerd of nageleefd, wordt het niet belegde gedeelte van de voorziening beschouwd als een belastbare winst van het boekjaar waarin die voorwaarde diende te worden nageleefd.

    § 2. De Koning bepaalt de wijze waarop de bepalingen van § 1 worden toegepast.


----------------------------------------
Art. 194 :
   

    *
      art. 194 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 107, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     194

 

Onderafdeling III

Technische voorzieningen van verzekeringsondernemingen



Artikel 194bis


     Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald door de Koning worden de technische voorzieningen bedoeld in artikel 16, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen vrijgesteld.

----------------------------------------
Art. 194bis :
   

    *
      art. 194bis is van toepassing vanaf 22.06.1999. (Art. 13, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999

KB/WIB 92:      73/1, 73/2, 73/3, 73/4

 

Onderafdeling IV

Ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk

Artikel 194ter


    § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :

    1° binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :

    - de vennootschap die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft;

    - niet zijnde een televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen;

    2° raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk : de basisovereenkomst gesloten, naargelang het geval, tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, enerzijds, en één of meerdere binnenlandse vennootschappen en/of één of meerdere belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, anderzijds, voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk met vrijstelling van de belastbare winst;

    3° erkend Belgisch audiovisueel werk :

    - een langspeelfilm, een documentaire of een animatiefilm bestemd om in de bioscoop te worden vertoond, lange fictiefilm voor televisie, een animatieserie of een documentaire voor televisie en die door de bevoegde diensten van de betrokken gemeenschap zijn erkend als Europees werk zoals bedoeld in de richtlijn "Televisie zonder grenzen" van 3 oktober 1989 (89/552/EEG), gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en bekrachtigd door de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999, door de Vlaamse Gemeenschap op 25 januari 1995 en door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 30 maart 1995;

    - waarvoor de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk, ten minste 150 pct. belopen van de totale sommen, die, anders dan in de vorm van leningen, in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2;

    4° de productie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan : de exploitatiekosten en de financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien welke, ten name van de begunstigde, belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners, met uitzondering van de kosten vermeld in artikel 57 die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, van de kosten vermeld in artikel 53, 9° en 10°, alsmede alle andere kosten die niet werden gedaan voor de productie of de exploitatie van het erkend werk.

    In afwijking van het vorige lid, worden, wanneer de kosten, voor de begunstigde, de vergoeding van dienstverrichtingen vertegenwoordigen en wanneer de begunstigde een beroep doet op één of meerdere onderaannemers voor de verwezenlijking van deze dienstverrichtingen, deze kosten slechts als in België gedane kosten aangemerkt indien de vergoeding van de dienstverrichtingen van de onderaannemer of onderaannemers 10 pct. van de kosten niet overschrijdt. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer de begunstigde zich hiertoe schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de vennootschap voor de productie als ten aanzien van de federale overheid.

    Voor de berekening van het percentage bepaald in het vorige lid, wordt er geen rekening gehouden met de vergoedingen van de onderaannemers welke hadden kunnen worden beschouwd als in België gedane kosten indien deze onderaannemers rechtstreeks een contract zouden hebben aangegaan met de vennootschap voor de productie.

    § 2. Ten name van de vennootschap, niet zijnde een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken of een televisieomroep, die in België een raamovereenkomst sluit voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk, wordt de belastbare winst binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden vrijgesteld ten belope van 150 pct., hetzij van de sommen die werkelijk door die vennootschap betaald zijn ter uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij van de sommen waarvoor de vennootschap zich heeft verbonden deze te storten ter uitvoering van de raamovereenkomst.

    De in het eerste lid bedoelde sommen kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen, voor zover de vennootschap geen kredietinstelling is, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk.

    § 3. Per belastbaar tijdperk wordt de vrijstelling als bedoeld in § 2 verleend ten belope van een bedrag beperkt tot 50 pct., met een maximum van 750 000 EUR, van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk vastgesteld vóór de samenstelling van de vrijgestelde reserve bedoeld in § 4.

    Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken, waarbij de vrijstelling per belastbaar tijdperk nooit hoger mag zijn dan de in het vorige lid gestelde grenzen.

    De vrijstelling waarop aanspraak gemaakt wordt uit hoofde van de sommen die met toepassing van § 2, eerste lid, werkelijk betaald zijn en van de in het tweede lid bedoelde overdracht wordt uiterlijk toegekend voor het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk dat het belastbaar tijdperk voorafgaat tijdens hetwelk het laatste van de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, bedoelde attesten wordt ontvangen.

    § 4. De vrijstelling wordt slechts verleend en behouden wanneer :

    1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft tot op de datum waarop het laatste van de in 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt ontvangen;

    2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van enige beloning of toekenning tot op de datum waarop het laatste van de in 7° en 7°bis bedoelde attesten wordt ontvangen;

    3° de schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst blijven behouden, zonder terugbetaling of retrocessie, in volle eigendom door de oorspronkelijke houder van deze rechten tot de verwezenlijking van het gereed product welke het afgewerkte audiovisueel werk is; de maximale duur van de onoverdraagbaarheid van de rechten welke voortvloeit uit hetgeen voorafgaat is evenwel beperkt tot een periode van 18 maanden vanaf de datum van het afsluiten van de raamovereenkomst bestemd voor de productie van een audiovisueel werk;

    4° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de overeenkomst hebben afgesloten daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2, niet meer bedraagt dan 50 pct. van het totale budget van de kosten voor het erkend Belgisch audiovisueel werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend;

    5° het totaal van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst, in de vorm van leningen, zijn aangewend door het geheel van de binnenlandse vennootschappen of Belgische inrichtingen van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de overeenkomst hebben gesloten, niet meer bedraagt dan 40 pct. van de sommen die ter uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2 zijn aangewend;

    6° de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling een afschrift van de raamovereenkomst, alsmede een document waarin de betrokken Gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een erkend Belgisch audiovisueel werk als bedoeld in het eerste streepje van § 1, eerste lid, 3°, overlegt binnen de termijn die bepaald is voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk, en deze documenten bij de aangifte voegt;

    7° de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de controle waarvan de binnenlandse vennootschap voor de productie van het erkend Belgisch audiovisueel werk afhangt uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst enerzijds verklaart dat de voorwaarden inzake de kosten in België overeenkomstig § 1, 3° en 4°, voor de in de raamovereenkomst bepaalde doeleinden door de binnenlandse vennootschap voor de productie van een audiovisueel werk, alsmede de in 4° en 5° bepaalde voorwaarden en grenzen zijn nageleefd en, anderzijds, dat de vennootschap die aanspraak maakt op de toekenning en het behoud van de vrijstelling de in § 2, eerste lid, bedoelde sommen werkelijk heeft betaald aan de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken binnen een termijn van achttien maanden die aanvangt op de datum waarop de raamovereenkomst is gesloten;

    7°bis de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de betrokken Gemeenschap uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst bevestigt dat de productie van het werk is voltooid en dat de globale financiering van het werk overeenkomstig dit artikel met naleving van de in 4° bepaalde voorwaarden en grenzen is uitgevoerd;

    8° de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken geen achterstallen heeft bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid op het moment van het afsluiten van de raamovereenkomst;

    9° de in 1° tot 5° van deze paragraaf bedoelde voorwaarden op een ononderbroken wijze worden nageleefd.

    Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. Ingeval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.

    § 4bis. In afwijking van § 4 en voor zover de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde attesten worden ontvangen binnen de in § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, vermelde periode van vier jaar, worden de sommen die overeenkomstig de §§ 2 tot 4 tijdelijk zijn vrijgesteld, definitief vrijgesteld vanaf het aanslagjaar dat verband houdt met het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk het laatste van deze attesten wordt ontvangen.

    § 5. De raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk bevat de volgende verplichte vermeldingen :

    1° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken;

    2° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschappen of de Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, die de raamovereenkomst hebben gesloten met de in 1° bedoelde vennootschap;

    3° het totaal van de met toepassing van § 2 aangewende sommen evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke deelnemende vennootschap vermeld onder 2°;

    4° de identificatie en de beschrijving van het erkend audiovisueel werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst;

    5° het budget van de uitgaven die nodig zijn voor het audiovisueel werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en het gedeelte dat gefinancierd wordt door elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een belastingplichtige bedoeld in artikel 227, 2°, die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in § 2;

    6° de overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die, naar gelang van hun aard, worden aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst;

    7° de waarborg dat elke binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van een in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige die overeenkomstig 2° geïdentificeerd is noch een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken, noch een televisieomroep is, evenals dat de geldschieters geen kredietinstellingen zijn;

    8° de verbintenis van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :

    - overeenkomstig § 1 in België uitgaven te doen ten belope van 150 pct. van het geïnvesteerde bedrag anders dan in de vorm van leningen;

    - het definitieve bedrag dat in beginsel wordt aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het erkend Belgisch audiovisueel werk voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°, en om alle overeenkomstig § 2 gestorte bedragen daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van dit budget;

    - het totaal van de sommen die in de vorm van leningen zullen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2°.

    § 6. De voorgaande bepalingen laten onverlet het recht van de vennootschap aanspraak te maken op de eventuele aftrek als beroepskosten van andere bedragen dan die vermeld in § 2 die eveneens besteed werden aan de productie van audiovisuele werken en dat binnen de voorwaarden vermeld in de artikelen 49 en volgende.

    In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn kosten en verliezen, en ook waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen met betrekking tot, naargelang van het geval, de schuldvorderingen en de eigendoms- en exploitatierechten op het audiovisueel werk, die voortvloeien uit leningen of verrichtingen vermeld in § 2, niet aftrekbaar als beroepskosten of -verliezen, noch vrijgesteld.

----------------------------------------
Art. 194ter :
   

    *
      art. 194ter, §1, eerste lid, 3°, eerste streepje, is van toepassing met ingang van 01.01.2006.  De Koning kan nochtans, bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, bepalen dat dit artikel op een vroegere datum in werking treedt. (Art. 2, W 17.05.2004) B.S. 04.06.2004

         
    *
      art. 194ter is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 128, W 02.08.2002) B.S. 29.08.2002 - errata B.S. 13.11.2002, (Art. 1, KB 03.05.2003) B.S. 09.05.2003, (Art. 291, W 22.12.2003) B.S. 31.12.2003 en (Art. 2, W 17.05.2004) B.S. 04.06.2004.

Onderafdeling V

Investeringsreserve



Artikel 194quater


    § 1. Ten name van vennootschappen waarvoor het tarief van de belasting wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 215, tweede lid, wordt niet als winst aangemerkt de investeringsreserve die bij het verstrijken van het belastbare tijdperk is aangelegd binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden.

    § 2. Het bedrag van de investeringsreserve wordt vrijgesteld tot beloop van 50 pct. van het gereserveerde belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk, vóór aanleg van de investeringsreserve, en verminderd met :

    1° de krachtens artikel 192 vrijgestelde meerwaarden op aandelen;

    2° het gedeelte van de meerwaarde op in artikel 66 vermelde voertuigen dat niet in aanmerking wordt genomen krachtens artikel 24, derde lid;

    3° de vermindering van het gestort kapitaal, berekend als gewogen gemiddelde van het belastbaar tijdperk tegenover het vorig belastbaar tijdperk waarin laatst het voordeel van het aanleggen van een investeringsreserve werd genoten;

    4° de vermeerdering van de vorderingen van de vennootschap, berekend zoals sub 3°, op de volgende natuurlijke personen :

    - personen die aandelen bezitten van de vennootschap;

    - personen die een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefenen;

    - de echtgenoot ervan of hun kinderen, wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben.

    Het gereserveerde belastbare resultaat welke, na vermindering, in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de investeringsreserve overeenkomstig het eerste lid, wordt beperkt tot 37.500 EUR per belastbaar tijdperk.

    De aldus berekende investeringsreserve wordt slechts vrijgesteld indien en in zoverre de belaste reserves, vóór aanleg van de investeringsreserve, op het einde van het belastbaar tijdperk hoger zijn dan de belaste reserves op het einde van het vorig belastbaar tijdperk, waarin laatst het voordeel van het aanleggen van een investeringsreserve werd genoten.

    De investeringsreserve wordt slechts vrijgesteld voorzover voldaan is aan de voorwaarden als vermeld in artikel 190.

    § 3. Een bedrag gelijk aan de investeringsreserve moet door de vennootschap worden geïnvesteerd :

    a) in afschrijfbare materiële of immateriële vaste activa die recht kunnen geven op het voordeel van de investeringsaftrek;

    b) binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarvoor de investeringsreserve is aangelegd, en ten laatste bij de ontbinding van de vennootschap.

    De vaste activa die als herbelegging in aanmerking worden genomen krachtens artikel 47 , worden voor de toepassing van het vorige lid uitgesloten als investering.

    § 4. Indien niet wordt geïnvesteerd op de wijze en binnen de termijn gesteld in § 3 wordt de voorheen vrijgestelde investeringsreserve aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin de investeringstermijn verstreken is.

    De voorheen vrijgestelde investeringsreserve wordt aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk waarin de in § 3 in aanmerking genomen investering, wordt vervreemd, wanneer die investering op het ogenblik van de vervreemding minder dan drie jaar in de vennootschap is belegd, en zulks, naar verhouding tot de nog niet aangenomen afschrijvingen op die investering. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de vervreemding geschiedt naar aanleiding van een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis.

    § 5. Om het voordeel van de investeringsreserve te rechtvaardigen moet de vennootschap bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor het aanslagjaar waarvoor de reserve wordt aangelegd en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de investering moet zijn verricht.

    § 6. De Koning bepaalt de investeringsmodaliteiten als vermeld in § 3, in geval van inbreng van een tak van werkzaamheid of een bedrijfsafdeling of van een algemeenheid van goederen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, en ingeval van fusie of splitsing als vermeld in artikel 211, § 1.

    De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, een bedrag vaststellen dat hoger is dan 37.500 EUR.

----------------------------------------
Art. 194quater :    

    * art. 194quater is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 6, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 6, W 24.12.2002]

KB/WIB 92:      73/4bis

 

Afdeling IV

Vaststelling van het netto-inkomen



Onderafdeling I

Beroepskosten



Artikel 195


    § 1. Bedrijfsleiders worden voor de toepassing van de bepalingen inzake beroepskosten met werknemers gelijkgesteld en hun bezoldigingen en de ermede verband houdende sociale lasten worden als beroepskosten aangemerkt.

    Stortingen van sociale verzekering of voorzorg zijn slechts aftrekbaar in zover zij betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en ten minste om de maand worden betaald of toegekend vóór het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij door de vennootschap op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend.

    § 2. Behalve indien de overeenkomsten enkel voorzien in voordelen bij overlijden, worden premies van levensverzekeringen betreffende overeenkomsten die in het voordeel van de onderneming zijn gesloten, met de in artikel 52, 3°, b, vermelde bijdragen gelijkgesteld en zijn zij, onder dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde grens, slechts aftrekbaar indien deze overeenkomsten werden gesloten op het hoofd van een bedrijfsleider als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst.

    Om het aftrekbare deel van de premies te bepalen komen uitsluitend de in § 1, tweede lid, omschreven bezoldigingen in aanmerking.

----------------------------------------
Art. 195 :
   

    *
      art. 195, §1, lid 2 en § 2, is van toepassing op de premies en bijdragen die vanaf 01.01.2006 worden betaald. (Art. 177, W 27.12.2005) B.S. 30.12.2005
       
    *
      art. 195, § 2, is van toepassing op de bijdragen en premies, andere dan die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen, die zijn betaald vanaf 01.01.2004.  (Art. 87, W 28.04.2003) B.S. 15.05.2003 - errata B.S. 26.05.2003 en (Art. 23, § 3, A, 3°, KB 14.11.2003) B.S. 14.11.2003
    *
      art. 195, §1, 1e lid, en §2, 1e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1998. (Art. 22, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
    *
      art. 195 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 108, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     195

 

Artikel 196


    § 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, criteria en normen stellen om te bepalen in hoeverre de kosten betreffende autovoertuigen die ter beschikking van bedrijfsleiders en van leden van het directiepersoneel worden gesteld, moeten worden aangemerkt als kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen.

   § 2. Ten name van de vennootschappen die op grond van de in artikel 15, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bepaalde criteria niet als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin het immaterieel of materieel vast actief werd aangeschaft of tot stand gebracht :

1° wordt de eerste afschrijvingsannuïteit ten aanzien van tijdens het boekjaar verkregen of tot stand gebrachte vaste activa slechts als beroepskosten aangemerkt in verhouding tot het gedeelte van het boekjaar waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht;

2° wordt, in afwijking van artikel 62, het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten op dezelfde wijze als de hoofdsom van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende vaste activa afgeschreven.

----------------------------------------
Art. 196 :
   

    * art. 196, §2, is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan het aanslagjaar 2005 of aan een later aanslagjaar. (
      Art. 2, W 31.07.2004) B.S. 23.08.2004

    * art. 196, § 2, is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan het aanslagjaar 2004 of aan een later aanslagjaar. (Art. 7, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 7, W 24.12.2002]
      [Het Arbitragehof (Arrest nr. 59/2004 dd. 31.03.2004) vernietigt in artikel 196, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 24 december 2002, de woorden "ten name van de vennootschappen waarvoor het tarief van de belasting voor het aanslagjaar verbonden aan het belastbare tijdperk waarin het immaterieel of materieel vast actief werd aangeschaft of tot stand gebracht, niet wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 215, tweede lid" maar handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling voor het aanslagjaar 2004.]

        
    *
      art. 196 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1998. (Art. 23, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 196 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 108bis, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 197


    Niet verantwoorde kosten en verdoken meerwinsten, die ingevolge artikel 219 aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen, worden als beroepskosten aangemerkt.


----------------------------------------
Art. 197 :
   

    *
      art. 197 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. (Art. 14, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
    *
      Art. 197, 2e lid, wordt opgeheven met ingang van het aanslagjaar 1995. (Art. 27, W 30.03.1994) B.S. 31.03.1994
       
    *
      art. 197, 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994. (Art. 4, W 22.07.1993) B.S. 26.07.1993
       
    *
      art. 197 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 33, W 07.12.1988 Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 198


    Als beroepskosten worden niet aangemerkt :

    1° de vennootschapsbelasting, met inbegrip van de ingevolge artikel 219bis verschuldigde afzonderlijke aanslagen, de in mindering van de vennootschapsbelasting gestorte sommen en de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen met miskenning van artikel 261, tot ontlasting van de verkrijger heeft gedragen, doch met uitzondering van de ingevolge artikel 219 verschuldigde afzonderlijke aanslag;

    2° de belasting en de aanvullende belasting op de deelnames die ten laste van de schuldenaar van het inkomen vallen ter ontlasting van de verkrijger der inkomsten, bedoeld in artikel 113 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen ;

    3° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de voorheffingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing ;

    4° de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen vermeld in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen ;

    5° de gewestelijke belastingen, heffingen en retributies andere dan deze bedoeld in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsmede de verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot deze niet-aftrekbare belastingen, heffingen en retributies;

    6° de bijzondere taks op kasbons in het bezit van de financiële tussenpersonen, bedoeld in de artikelen 201/3 tot 201/9 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen ;

    7° waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, behoudens minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het verlies aan gestorte kapitaal dat door die aandelen wordt vertegenwoordigd ;

    8° de uitzonderlijke taks op de stortingen bestemd voor het lange termijnsparen vermeld in artikel 183duodecies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen ;

    9° de bijzondere taks op de gereserveerde winsten van bepaalde kredietinstellingen bedoeld in artikel 1 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.

    10° ... ;

    11° onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55, de betaalde of toegekende interesten van leningen wanneer de werkelijke verkrijger ervan niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen is aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de bepalingen van gemeen recht van toepassing in België en indien, en in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen, hoger is dan zeven maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk ;

    12° de deelnames in het kapitaal of in de winst evenals de deelnames toegekend aan de werknemers in het kader van een investeringsspaarplan overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen.

    13° de vergoedingen voor ontbrekende coupon betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten of leningen met betrekking tot aandelen, tot een bedrag gelijk aan het verschil tussen enerzijds het totale bruto dividend betaald of toegekend voor de aandelen waar deze vergoedingen voor ontbrekend coupon betrekking op hebben en anderzijds het totale bruto bedrag als dividend ofwel daadwerkelijk verkregen ofwel met betrekking waartoe een vergoeding voor ontbrekend coupon werd verkregen met betrekking tot deze aandelen;

    14° het deel van de in artikel 193bis, § 1, vermelde premies, kapitaal- en interestsubsidies, dat voorheen definitief werd vrijgesteld en dat wordt terugbetaald ten gunste van het betrokken gewest.

    Uitsluitend voor de toepassing van het eerste lid, 7°, worden, in afwijking van artikel 184, toch als gestort kapitaal aangemerkt, de verminderingen van gestort kapitaal die voorheen zijn gedaan om geleden verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om een reserve tot dekking van een voorzienbaar verlies te vormen waarmede het geleden verlies boekhoudkundig is aangezuiverd.

----------------------------------------
Art. 198 :
   

    *
      art. 198, eerste lid, 14° is van toepassing op premies en subsidies die worden betekend vanaf 01.01.2006 en voor zover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2007 verbonden is. (Art. 118, W 23.12.2005) B.S. 30.12.2005. Elke wijziging die vanaf 18.11.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking.
       
    *
      art. 198, 1e lid, 13°, is van toepassing op vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, afgesloten vanaf 01.02.2005. (Art. 43, 1° W 15.12.2004) B.S. 01.02.2005
      De tekst van art. 198, lid 3, is van toepassing op leningen van aandelen afgesloten vanaf 01.02.2005. (Art. 43, 2°, W 15.12.2004) B.S. 01.02.2005
        
    *
      art. 198, 1e lid, 5°, 10° en 11°, en 3e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 8, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 8, W 24.12.2002]
        
    *
      art. 198, 1e lid, 2° en 12°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2002. (Art. 26, W 22.05.2001) B.S. 09.06.2001
       
    *
      art. 198, 4e lid, is van toepassing op de aandelen uitgeleend vanaf 14.04.1999. (Art. 49, W 10.03.1999) B.S. 14.04.1999
       
    *
      art. 198, 1e lid, 1°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. (Art. 15, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
       
    *
      art. 198, 1e lid, 11°, is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten. art. 198, 2e lid, is van toepassing op de minderwaarden op aandelen die vanaf 01.01.1997 zijn geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van de emitterende vennootschap, voor zover de desbetreffende vermindering van gestort kapitaal ten vroegste vanaf 24.07.1991 is gedaan. (Art. 24, KB 20.12.1996 Art. 23, W 22.12.1998) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 198, 1e lid, 10°, en 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1996. (Art. 11, W 20.12.1995) B.S. 23.12.1995
       
    *
      art. 198, 3°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994. Art. 198, 2°, wordt opgeheven met ingang van het aanslagjaar 1994. (Art. 5, W 22.07.1993) B.S. 26.07.1993
       
    *
      art. 198, 4° en 8°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1993. (Art. 17, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 198 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 109, WIB Art. 21, W 07.12.1988 Art. 33, W 07.12.1988 art. 12, W 22.02.1990 art. 28, W 06.07.1994 art. 1, KB 10.04.1992 art. 23, W 22.12.1998) B.S. 30.07.1992
          

Onderafdeling II

Aftrek van vrijgestelde inkomsten



Artikel 199


    Met uitzondering van de in artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde inkomsten en van de in artikel 104, 5°, b , vermelde giften in de vorm van kunstwerken worden, bij het bepalen van het belastbare inkomen, krachtens dit Wetboek of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen vrijgestelde inkomsten die begrepen zijn in de winst van het belastbare tijdperk, van die winst afgetrokken.


----------------------------------------
Art. 199 :
   

    *
      art. 199 is van toepassing op de vanaf 01.01.1999 betaalde of toegekende inkomsten. (Art. 63, W 26.03.1999) B.S. 01.04.1999
    *
      art. 199 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 110, eerste lid, WIB Art. 1, KB 10.04.1992 Art. 24, W 22.12.1998) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     199

 

Artikel 200


    Het percentage van 10 pct. en het maximumbedrag van 319.580 EUR (basisbedrag 250.000 EUR) die inzake aftrekbare giften zijn vermeld in artikel 109 , worden respectievelijk op 5 pct. en op 500.000 EUR (basisbedrag 500.000 EUR) gebracht.


----------------------------------------
Art. 200 :
   

    *
      Met ingang van het aanslagjaar 2002 worden de in dit artikel opgenomen bedragen in euro uitgedrukt. (Art. 1, 20.07.2000) B.S. 30.08.2000 en (Art. 42, 5°, KB 13.07.2001) B.S. 11.08.2001
    *
      art. 200 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 110, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 201


    In de gevallen als vermeld in artikel 69, § 1, eerste lid, 1°, wordt de investeringsaftrek als volgt vastgesteld:

    1° met betrekking tot binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen, is het percentage van de aftrek gelijk aan de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, waaraan het belastbare tijdperk is verbonden waarin de investering is verricht, ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet 50 pct. bedraagt en verhoogd met 1 percentpunt, doch teruggebracht tot 0;

    2° met betrekking tot de niet in 1° vermelde vennootschappen is het percentage van de aftrek dat vermeld in 1°, doch teruggebracht tot 0.

    Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde percentages, in zover ze tot 0 worden teruggebracht, verhogen.

    De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit artikel genomen besluiten.

     In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, vermelde geval is de investeringsaftrek slechts van toepassing met betrekking tot de in het eerste lid, 1°, vermelde binnenlandse vennootschappen en de binnenlandse vennootschappen die op grond van de in artikel 15, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bepaalde criteria als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht.

    In het in artikel 70, eerste lid, vermelde geval is het percentage van de aftrek tot 0 teruggebracht.

    De belastingplichtige die onherroepelijk heeft geopteerd voor het in artikel 289quater vermelde belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, kan niet meer genieten van de in de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b) en 70, tweede lid, vermelde investeringsaftrek en voor die belastingplichtige, worden de in artikel 72, tweede lid, bedoelde bedragen van 806.740,00 EUR (basisbedrag 620.000 EUR) en 3.226.980,00 EUR (basisbedrag 2.480.000 EUR) respectievelijk op 403.370,00 EUR (basisbedrag 310.000 EUR) en 1.613.490,00 EUR (basisbedrag 1.240.000 EUR) bepaald. Deze bedragen worden jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Die aanpassing gebeurt met behulp van de in artikel 178, § 3, bepaalde coëfficiënt.

----------------------------------------
Art. 201 :
   

    *
      art. 201, zesde lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2007. (Art. 120, W 23.12.2005) B.S. 30.12.2005 en (Art. 286, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006. Elke wijziging die vanaf 18.11.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking.
       
    *
      art. 201, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 3, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.
        
    *
      art. 201, vijfde lid,  is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan het aanslagjaar 2006 of aan een later aanslagjaar.  (Art. 373, W 27.12.2004) B.S. 31.12.2004. Elke wijziging die vanaf 18.10.2004 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

          
    *
      art. 201, vijfde lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 107, W 08.04.2003) B.S. 17.04.2003. Elke wijziging die vanaf 29 januari 2003 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

    *
      Met ingang van het aanslagjaar 2002 worden de in dit artikel opgenomen bedragen in euro uitgedrukt. (Art. 1, KB 20.07.2000) B.S. 30.08.2000 en (Art. 42, 5°, KB 13.07.2001) B.S. 11.08.2001
       
    *
      art. 201, 1e lid, inleidende zin, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. (Art. 16, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
       
    *
      art. 201, 1e lid, 1°, en 4e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1993, in zover de vaste activa vanaf 01.01.1992 zijn verkregen of tot stand gebracht. (Art. 18, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 201, 1e lid, 2°, 2e en 3e lid, is van toepassing op vaste activa die vanaf 27.03.1992 zijn verkregen of tot stand gebracht. (Art. 18, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 201 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 20, W 07.12.1988 Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Onderafdeling III

Aftrekken van de belastbare winst



Artikel 202


    § 1. Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, in zover zij erin voorkomen :

    1° dividenden met uitzondering van inkomsten die zijn verkregen naar aanleiding van de afstand aan een vennootschap van haar eigen aandelen of naar aanleiding van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap;

    2° in zover het een dividend betreft waarop de artikelen 186, 187 of 209 of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast, het positieve verschil tussen de verkregen sommen of de waarde van de ontvangen bestanddelen en de aanschaffings- of beleggingsprijs van de aandelen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had uitgegeven, eventueel verhoogd met de desbetreffende voorheen uitgedrukte en niet vrijgestelde meerwaarden;

    3° inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;

    4° inkomsten uit Belgische overheidsfondsen of leningen van voormalig Belgisch-Kongo die zijn uitgegeven met vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen of van elke belasting;

    5° inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van de leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting. Deze bepaling geldt slechts voor de leningen toegestaan bij de koninklijke besluiten van 25 november 1986, 5 december 1986, 9 maart 1987, 27 april 1987 en 18 juni 1987.

    § 2. De in § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten zijn slechts aftrekbaar in zoverre :

    1° op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert, een deelneming bezit van ten minste 10 pct. of met een aanschaffingswaarde van ten minste 1.200.000 EUR;

    2° deze inkomsten betrekking hebben op aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben en gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden.

    De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben voor de toepassing van het eerste lid, 2°, ten name van de kredietinstellingen vermeld in artikel 56, § 1 , de verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 56, § 2, 2°, h , en de beursvennootschappen vermeld in artikel 47 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs.

    De omruiling van aandelen ingevolge verrichtingen als vermeld in artikel 45 of de vervreemding of verkrijging van aandelen ingevolge belastingneutrale verrichtingen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1 en 231, §§ 2 en 3 , worden geacht niet te hebben plaatsgegrepen voor de toepassing van het eerste lid, 2°.

    De voorwaarden vermeld in het eerste lid zijn evenwel niet van toepassing op de inkomsten :

    1° die worden verkregen door beleggingsvennootschappen;

    2° die worden verleend of toegekend door intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986;

    3° die worden verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen.

    De voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1°, zijn evenwel niet van toepassing op de inkomsten :

    1° die worden verkregen door kredietinstellingen vermeld in artikel 56, § 1;

    2° die worden verkregen door verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 56, § 2, 2°, h ;

    3° die worden verkregen door beursvennootschappen vermeld in artikel 47 van de voornoemde wet van 6 april 1995.

    De in artikel 2, § 2, bedoelde fictie van niet overdracht van eigendom, is niet van toepassing voor de vaststelling of aan de in het eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde is voldaan.

    De in § 1, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten verkregen uit hoofde van aandelen die verworven zijn krachtens een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten zijn bovendien niet aftrekbaar.

----------------------------------------
Art. 202 :
   

    *
      art. 202, § 2,lid 6, is van toepassing op zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en op leningen betreffende financiële instrumenten, afgesloten vanaf 01.02.2005. (Art. 44, 1°, W 15.12.2004) B.S. 01.02.2005
      art. 202, §2, laatste lid, is van toepassing op vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, afgesloten vanaf 01.02.2005. (Art. 44, 2°, W 15.12.2004) B.S. 01.02.2005
        
    *
      art. 202, § 2, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 9, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 9, W 24.12.2002]
        
    *
      Met ingang van het aanslagjaar 2002 wordt het in dit artikel opgenomen bedrag in euro uitgedrukt. (Art. 1, KB 20.07.2000) B.S. 30.08.2000 en (Art. 42, 5°, KB 13.07.2001) B.S. 11.08.2001
       
    *
      art. 202, § 2, 3e lid, is van toepassing op de aandelen uitgeleend vanaf 14.04.1999. (Art. 50, W 10.03.1999) B.S. 14.04.1999
       
    *
      art. 202, § 2, is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten. (Art. 25, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 202, 5°, 2e lid, is van toepassing met ingang van 01.01.1995. (Art. 3, W 22.03.1995) B.S. 26.04.1995
       
    *
      art. 202, 1°, is van toepassing op de vanaf 27.03.1992 betaalde of toegekende interest. (Art. 19, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 202, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 111, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

KB/WIB 92:     73/4ter, 73/4quater, 73/5, 73/6 , 73/7, 73/8 , 73/9, 73/10, 73/11, 73/12

 

Artikel 203


    § 1. De in artikel 202, § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten zijn bovendien niet aftrekbaar wanneer ze worden verleend of toegekend door :

    1° een vennootschap die niet aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard als die belasting is onderworpen of die gevestigd is in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;

    2° een financieringsvennootschap, een thesaurievennootschap of een beleggingsvennootschap die, alhoewel ze in het land van haar fiscale woonplaats onderworpen is aan een in 1° vermelde belasting, in dat land een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht ;

    3° een vennootschap voor zover de inkomsten die ze verkrijgt, niet zijnde dividenden, hun oorsprong vinden buiten het land van haar fiscale woonplaats en ze in het land van de fiscale woonplaats een afzonderlijke belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht;

    4° een vennootschap voor zover ze winsten verwezenlijkt door tussenkomst van een of meer buitenlandse inrichtingen die globaal genomen zijn onderworpen aan een aanslagregeling die aanzienlijk gunstiger is dan in België;

    5° een vennootschap, andere dan een beleggingsvennootschap, die dividenden wederuitkeert die in toepassing van het 1° tot 4°, zelf niet zouden kunnen worden afgetrokken ten belope van ten minst 90 pct.

    ...

    De gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen als vermeld in het eerste lid, 1°, worden geacht aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België, wanneer in de gevallen bepaald door de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit :

    - hetzij, het gemeenrechtelijk nominaal tarief op de winsten van de vennootschap, lager is dan 15 pct.;

    - hetzij, gemeenrechtelijk, het tarief dat met de werkelijke belastingdruk overeenstemt, lager is dan 15 pct.

    Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen die van toepassing zijn op vennootschappen gevestigd in een Lidstaat van de Europese Unie geacht niet aanzienlijk gunstiger te zijn dan in België.

    § 2. Paragraaf 1, 1°, is niet van toepassing op dividenden die worden verleend of toegekend door intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986.

     Paragraaf 1, 2°, is niet van toepassing op de beleggingsvennootschappen waarvan de statuten de jaarlijkse uitkering voorzien van ten minste 90 pct. van de inkomsten die ze hebben verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, voor zover en in de mate dat die inkomsten voortkomen uit dividenden die zelf beantwoorden aan de in § 1, 1° tot 4°, vermelde aftrekvoorwaarden of uit meerwaarden die ze hebben verwezenlijkt op aandelen die krachtens artikel 192, § 1 voor vrijstelling in aanmerking komen.

    Paragraaf 1, eerste lid, 2°, is niet van toepassing op dividenden verdeeld door private privaks als bedoeld in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, in de mate dat de inkomsten voortkomen van gerealiseerde meerwaarden op beleggingen als bedoeld in artikel 192, § 3, 1° et 2°, of dividenden voortkomende van die beleggingen.

    Voor de toepassing van het derde lid, worden beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Unie beantwoorden aan de kenmerken van een instelling voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 2°, van de wet van 20 juli 2004, die zijn geregeld bij statuten, opgericht voor een bepaalde duur en met als uitsluitend doel de collectieve belegging in toegelaten financiële instrumenten uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen en waarvan de financiële instrumenten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, gelijkgesteld met de private privaks bedoeld in artikel 119 van deze wet.

    Paragraaf 1, 2° en 5°, is niet van toepassing op verkregen dividenden wegens een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming in een financieringsvennootschap gelegen in een Lidstaat van de Europese Unie die, voor de aandeelhouder, beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, voor zover en in de mate dat de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk van de financieringsvennootschap niet hoger is dan 33 pct. van de schulden.

    Paragraaf 1, eerste lid, 4°, is niet van toepassing wanneer de daadwerkelijk geheven belasting globaal genomen op de winsten die voortkomen uit de buitenlandse inrichting ten minste 15 pct. bedraagt of wanneer de vennootschap en haar buitenlandse inrichting gevestigd zijn in Lidstaten van de Europese Unie.

    Paragraaf 1, 5°, is niet van toepassing wanneer de vennootschap die wederuitkeert :

    1° een binnenlandse vennootschap is of een buitenlandse vennootschap, gevestigd in een land waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft ondertekend en die er is onderworpen aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht, en waarvan de aandelen zijn opgenomen in de notering aan een effectenbeurs van een Lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 (79/279/EEG) tot coördinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs, of van een derde Staat waarvan de wetgeving minstens gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet;

    2° een vennootschap is waarvan de verkregen inkomsten uitgesloten werden van het recht op aftrek dat door dit artikel in België wordt geregeld of door een maatregel met gelijkwaardige uitwerking naar buitenlands recht.

    ...

   § 3. Voor de toepassing van § 1, 5°, en onverminderd § 2, worden de dividenden die rechtstreeks of onrechtstreeks worden verleend of toegekend door de in § 1, 1° en 2°, bedoelde vennootschappen, geacht niet aan de aftrekvoorwaarden te beantwoorden.

    § 4. Wat de toekenning betreft van het regime van de definitief belaste inkomsten aan dividenden afkomstig van door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen erkende vennootschappen met vast kapitaal voor belegging in niet-genoteerde aandelen, wordt de 90 pct. drempel bedoeld in § 2, tweede lid, geacht vervuld te zijn wanneer die beleggingsvennootschappen de netto-opbrengst hebben uitgekeerd met toepassing van artikel 57 van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven en voorzover zij daartoe met toepassing van dit artikel verplicht waren.

----------------------------------------
Art. 203 :
   

    *
      art. 203, § 2, derde en vierde lid, en § 4, is van toepassing met ingang van 01.01.2007. (Art. 322,  W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006 [Voor de toepassing van de fiscale bepalingen worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarop de overgangsbepalingen van de wet van 20.07.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles van toepassing zijn, geacht vanaf 01.01.2007 onder het toepassingsgebied te vallen van de bepaling die overeenkomstig hun statuut gebruikt wordt in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.].
    *
      art. 203, § 1, lid 2 en § 2, lid 3, is van toepassing op leningen van aandelen afgesloten vanaf 01.02.2005. (Art. 45, W 15.12.2004) B.S. 01.02.2005
      [De gecentraliseerde systemen voor het lenen en ontlenen van aandelen die werden erkend op grond van dit artikel, § 2, zesde lid, voordat deze bepaling werd opgeheven, blijven hun erkenning behouden indien zij aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden voldoen binnen de door Hem vastgestelde termijn. Deze erkenning geldt dan als "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" als bedoeld in artikel 261, derde lid, van dit Wetboek.]
    *
      art. 203, § 1, 1e lid, 4°, en 3e en 4e lid, en § 2, 4e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 10, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 10, W 24.12.2002]
    *
      art. 203, § 1, 2e lid en § 2, 6e lid, is van toepassing op de aandelen uitgeleend vanaf 14.04.1999. (Art. 51, W 10.03.1999) B.S. 14.04.1999
       
    *
      art. 203, § 2, 2e lid, is van toepassing op de belastingvrije inbrengen verricht vanaf 15.01.1999. (Art. 26, KB 20.12.1996 Art. 25, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 203 is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten. (Art. 26, KB 20.12.1996 Art. 25, W 22.12.1998 Art. 17, W 04.05.1999) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 203, 2e lid, 3°, is van toepassing met ingang van 02.01.1995. (Art. 100, W 21.12.1994) B.S. 23.12.1994
       
    *
      art. 203, 1e en 3e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994. (Art. 9, W 28.12.1992) B.S. 31.12.1992
       
    *
      art. 203 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 111, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992
          

KB/WIB 92:     73/4ter, 73/4quater, 73/5, 73/6 , 73/7, 73/8 , 73/9, 73/10, 73/11, 73/12

 

Artikel 204


    De ingevolge artikel 202, § 1, 1°, 3° en 4°, aftrekbare inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 pct. van het geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd met de roerende voorheffing of de fictieve roerende voorheffing of, met betrekking tot in artikel 202, §1, 4° en 5° , vermelde inkomsten verminderd met de aan de verkoper toegekende interest ingeval de effecten in het belastbare tijdperk zijn verworven.

    Het in artikel 202, § 1, 2°, vermelde bedrag wordt geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 pct. van dat bedrag.

----------------------------------------
Art. 204 :
   

    *
      art. 204 is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten (Art. 27, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 204 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 113, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992
           

Artikel 205


    § 1. Geen aftrek ingevolge artikel 202 wordt verleend ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige in het buitenland beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.

    § 2. De aftrek ingevolge artikel 202 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199, verminderd met :

    1° de niet als beroepskosten aftrekbare giften, met uitzondering van de giften die in toepassing van de artikelen 199 en 200 van de winst worden afgetrokken;

    2° de in artikel 53, 6° tot 11°, 14° en 21° tot 23° , vermelde kosten;

    3° de interesten, retributies en bezoldigingen als bedoeld in artikel 54;

    4° de niet-aftrekbare interesten als bedoeld in artikel 55;

    5° de bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, en de ermee gelijkgestelde premies van bepaalde levensverzekeringen, voor zover die bijdragen en premies niet voldoen aan de voorwaarden en de begrenzingen gesteld in de artikelen 59 en 195 , alsmede de pensioenen, aanvullende pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen voor zover die sommen niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in artikel 60;

    6° 25 pct. van de kosten en de minderwaarden met betrekking tot het gebruik van in artikel 66 vermelde personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, met uitzondering van de brandstofkosten;

    7° de als winst aan te merken restorno's zoals bedoeld in artikel 189, § 1;

    8° de taksen als bedoeld in artikel 198, eerste lid, 4°, 8° en 9°.

    De in het eerste lid opgesomde verminderingen zijn niet van toepassing op in artikel 202, § 1, 1° en 3°, vermelde inkomsten, verleend of toegekend door een dochteronderneming gevestigd in een lid-Staat van de Europese Unie.

    Voor de toepassing van het vorige lid verstaat men onder dochteronderneming, de dochteronderneming zoals ze is omgeschreven in de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappij en dochter ondernemingen uit verschillende lid-Staten.

----------------------------------------
Art. 205 :
   

    *
      art. 205, § 2, tweede en derde lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2005. (Art. 2, W 02.05.2005) B.S. 31.05.2005
       
    *
      art. 205, § 2, is van toepassing op de bijdragen en premies die zijn betaald in uitvoering van individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 01.01.2004, op de andere dan de hiervoor bedoelde bijdragen en premies die zijn betaald vanaf 01.01.2004 en of de lijfrenten, renten, vergoedingen, andere dan in art. 23, § 3, A, 6°, KB 14.11.2003, bedoelde kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen en aanvullende pensioenen, die zijn betaald vanaf 01.01.2004. (Art. 88, W 28.04.2003) B.S. 15.05.2003 - errata B.S. 26.05.2003 en (Art. 23, § 3, A, 3° tot 5°, KB 14.11.2003) B.S. 14.11.2003
       
    *
      art. 205, § 2, is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten. (Art. 28, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 205, § 2, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1996. (Art. 12, W 20.12.1995) B.S. 23.12.1995
       
    *
      art. 205, § 2, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1993. (Art. 20, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 205 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 113, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Onderafdeling IIIbis. - Aftrek voor risicokapitaal

Artikel 205bis


    Bij de bepaling van het belastbaar inkomen wordt de belastbare basis verminderd met het overeenkomstig artikel 205quater vastgesteld bedrag. Deze vermindering wordt "aftrek voor risicokapitaal" genoemd".

----------------------------------------
Art. 205bis :    

    * art. 205bis is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 4-5, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 22.06.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 205ter


    § 1. Om de aftrek voor risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk te bepalen, stemt het in aanmerking te nemen risicokapitaal, onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 2 tot 7, overeen met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap, aan het eind van het voorgaande belastbare tijdperk, en dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen werd bepaald en voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen.

    Het overeenkomstig het eerste lid bepaald risicokapitaal wordt verminderd met :

    a) de fiscale netto waarde aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk van de eigen aandelen en de financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan, en

    b) de fiscale netto waarde aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk van de aandelen van beleggingsvennootschappen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203 van de winst te worden afgetrokken.

    § 2. Wanneer de vennootschap over één of meer inrichtingen in het buitenland beschikt waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn krachtens overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting, wordt het overeenkomstig § 1 bepaalde risicokapitaal verminderd met het positieve verschil tussen enerzijds de netto boekwaarde van de activabestanddelen van de buitenlandse inrichtingen, met uitzondering van de aandelen bedoeld in artikel 205ter, § 1, tweede lid, en anderzijds het totaal van de passivabestanddelen die niet behoren tot het eigen vermogen van de vennootschap en die op deze inrichtingen aanrekenbaar zijn.

    § 3. Wanneer in het buitenland gelegen onroerende goederen of rechten met betrekking tot dergelijke onroerende goederen tot de bestanddelen van de activa van de vennootschap behoren en niet behoren tot een buitenlandse inrichting, en wanneer de inkomsten uit deze activa vrijgesteld zijn krachtens overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting, wordt het overeenkomstig de §§ 1 en 2, bepaalde risicokapitaal verminderd met het positieve verschil tussen de netto boekwaarde van deze activabestanddelen en het totaal van de passivabestanddelen die niet behoren tot het eigen vermogen van de vennootschap en die op deze onroerende goederen of rechten aanrekenbaar zijn.

    § 4. Het overeenkomstig de §§ 1 tot 3, bepaalde risicokapitaal wordt verminderd met de volgende waarden aan het eind van het voorgaande belastbare tijdperk :

    1° de netto boekwaarde van de materiële vaste activa of gedeelten ervan in zover de erop betrekking hebbende kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen;

    2° de boekwaarde van de bestanddelen die als belegging worden gehouden en die door de aard ervan niet bestemd zijn om een belastbaar periodiek inkomen voort te brengen;

    3° de boekwaarde van onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben.

    § 5. Het overeenkomstig de §§ 1 tot 4 bepaalde risicokapitaal wordt bovendien verminderd met de in artikel 44, § 1, 1°, bedoelde uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, die geen betrekking hebben op activabestanddelen als bedoeld in de §§ 2 tot 4, de belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling en kapitaalsubsidies.

    § 6. Wanneer de in de §§ 1 en 3 tot 5 bedoelde bestanddelen tijdens het belastbaar tijdperk wijzigen, wordt het in aanmerking te nemen risicokapitaal naar gelang van het geval vermeerderd of verminderd met het bedrag van deze wijzigingen, berekend als gewogen gemiddelde en waarbij de wijzigingen geacht worden te hebben plaatsgevonden de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin ze zich hebben voorgedaan.

    De wijzigingen in de in § 2 bedoelde bestanddelen die tijdens het belastbaar tijdperk voorkomen, worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit in aanmerking genomen.

    § 7. Voor de toepassing van § 1, ten name van de kredietinstellingen bedoeld in artikel 56, § 1, de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 56, § 2, 2°, h, en de beursvennootschappen bedoeld in artikel 47 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs, moet onder financiële vaste activa die uit deelnemingen en andere aandelen bestaan, worden verstaan de in artikel 202, § 2, tweede lid, bedoelde aandelen die de aard van financiële vaste activa hebben.

    § 8. Voor de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, op wie de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van toepassing is, wordt onder eigen vermogen, als bedoeld in § 1, het eigen vermogen verstaan zoals blijkt uit de balans die door deze belastingplichtigen is opgemaakt.

----------------------------------------
Art. 205ter :    

    * art. 205ter, § 5, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art.121, W 23.12.2005) B.S. 30.12.2005. Elke wijziging die vanaf 18.11.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking.
       
    * art. 205ter is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 6, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 205quater


    § 1. De aftrek voor risico-kapitaal is gelijk aan het overeenkomstig artikel 205ter bepaalde risicokapitaal vermenigvuldigd met een tarief dat in de volgende paragrafen wordt bepaald.

    § 2. Voor aanslagjaar 2007 is het toe te passen tarief gelijk aan het gemiddelde van de door het Rentenfonds maandelijks bekendgemaakte referte-indexen J (lineaire obligatie 10 jaren), als bedoeld in artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, voor het jaar 2005.

    § 3. Voor de volgende aanslagjaren wordt het toe te passen tarief bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de in § 2 vermelde referte-indexen J voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

    Het toe te passen tarief om het bedrag van de in artikel 205bis bedoelde aftrek voor risicokapitaal te bepalen, mag voor elk in het vorig lid bedoeld aanslagjaar, niet meer dan één percentpunt afwijken van het tarief dat voor het vorige aanslagjaar werd toegepast.

    § 4. De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, beslissen de in § 3, tweede lid, bedoelde begrenzing niet toe te passen en buiten die begrenzing een ander tarief vastleggen om het bedrag van de aftrek voor risicokapitaal te bepalen, maar beperkt tot het tarief dat overeenstemt met de in § 2 vermelde referte-index J voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

    § 5. Het overeenkomstig de §§ 2 tot 4 bepaalde tarief mag niet meer dan 6,5 pct. bedragen.

    De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, van het in het eerste lid vermelde tarief afwijken.

    § 6. Ten name van de vennootschappen die op grond van de in artikel 15, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bepaalde criteria als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de aftrek voor risicokapitaal wordt genoten, wordt het overeenkomstig de §§ 2 tot 5 bepaalde tarief verhoogd met een half procentpunt.

    § 7. De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de regels voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal voor het eerste belastbare tijdperk van een vennootschap en wanneer het belastbare tijdperk langer of korter is dan twaalf maanden.

----------------------------------------
Art. 205quater :    

    * art. 205quater is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 7, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 205quinquies


    Indien er voor een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst is om de aftrek voor risicokapitaal te kunnen in mindering brengen, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de zeven volgende jaren.

----------------------------------------
Art. 205quinquies :    

    * art. 205quinquies is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 8, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 205septies


    Om het voordeel van de aftrek voor risicokapitaal te rechtvaardigen moet de vennootschap bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor het aanslagjaar waarvoor de aftrek wordt genoten.

----------------------------------------
Art. 205septies :    

    * art. 205septies is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 10, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 205octies


    De artikelen 205bis tot 205septies zijn niet van toepassing voor de volgende vennootschappen :

    1° de erkende coördinatiecentra die van de bepalingen voorzien in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, blijven genieten;

    2° de vestigingen in een reconversiezone, in toepassing van de herstelwet van 31 juli 1984, zolang ze, voor het betreffend belastbaar tijdperk, nog van de bepalingen van artikel 59 van de voornoemde wet genieten;

    3° de beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK), met vast kapitaal (BEVAK) of in schuldvorderingen (VBS) respectievelijk bedoeld in de artikelen 14, 19 en 24 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

    4° de coöperatieve participatievennootschappen, in toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen;

    5° de zeescheepvaartvennootschappen die aan belasting worden onderworpen met inachtneming van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002.

----------------------------------------
Art. 205octies :    

    * art. 205octies is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 11, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005 en (Art. 287, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 205novies


    Indien de vennootschap een vrijgestelde investeringsreserve als bedoeld in artikel 194quater aanlegt gedurende een belastbaar tijdperk, zijn de artikelen 205bis tot 205quinquies niet van toepassing voor dit belastbaar tijdperk alsmede voor de twee daarop volgende belastbare tijdperken. In dit geval wordt de in artikel 205quinquies vermelde periode van zeven jaren verlengd met het aantal volle jaren waarvoor de artikelen 205bis tot 205quinquies geen toepassing vinden.

----------------------------------------
Art. 205novies :    

    * art. 205novies is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007. (Art. 12, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005. Elke wijziging die vanaf 29.04.2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.

Onderafdeling IV

Vorige Verliezen



Artikel 206


    § 1. Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de winst van elk volgende belastbare tijdperk afgetrokken.

    § 2. Wanneer een vennootschap de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen heeft verkregen of een andere vennootschap door fusie of splitsing geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° en derde lid, of van artikel 211, § 1, zijn de beroepsverliezen die de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór die inbreng of die overneming heeft geleden slechts definitief aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarden van die vennootschap en van de ingebrachte of overgenomen bestanddelen, eveneens vóór de verrichting.

    In geval van fusie met toepassing van artikel 211, § 1, zijn de beroepsverliezen die een overgenomen vennootschap vóór die fusie heeft geleden bij de overnemende vennootschap bij voortduur aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen van de eerstgenoemde vennootschap vóór de fusie in het totaal van de fiscale nettowaarden, eveneens vóór de fusie, van de overnemende vennootschap en van de overgenomen bestanddelen. In geval van splitsing met toepassing van artikel 211, § 1, geldt de vorenstaande regel op het gedeelte van het bedoelde beroepsverlies dat is bepaald naar verhouding van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen in de totale fiscale nettowaarde van de overgenomen vennootschap.


    § 3. (Opgeheven).


----------------------------------------
Art. 206 :
   

    *
      art. 206, § 1, 2e lid, wordt opgeheven met ingang van het aanslagjaar 1998. (Art. 4, W 04.04.1995) B.S. 23.05.1995
    *
      art. 206, § 2, 1e lid, is van toepassing vanaf 02.01.1995. (Art. 26, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 206 is van toepassing op verrichtingen die plaatsvinden vanaf 01.10.1993. (Art. 1, W 06.08.1993) B.S. 31.08.1993
       
    *
      art. 206 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 114, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Onderafdeling V

Gemene bepalingen betreffende de in de artikelen 199 tot 206 omschreven aftrekken



Artikel 207


    De Koning regelt de wijze waarop de in de artikelen 199 tot 206 bepaalde aftrekken worden verricht.

    Geen van deze aftrekken noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk mag worden verricht op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79 , noch op de grondslag van de bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten of voordelen van alle aard  ingevolge artikel 219 , noch op het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de uitgaven bedoeld in artikel 198, eerste lid, 12°, noch op het gedeelte van de winst uit de niet-naleving van artikel 194quater, § 2, vierde lid en de toepassing van artikel 194quater, § 4.

    In geval van verwerving of van wijziging tijdens het belastbaar tijdperk van de controle van een vennootschap die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, zijn, noch aftrekbaar van de winst van dat tijdperk, noch van deze van enig later belastbaar tijdperk :

    - in afwijking van artikel 72 , de niet-verleende investeringsaftrek wegens geen of onvoldoende wist van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemde tijdperk;

    - in afwijking van artikel 205quinquies, de niet-verleende aftrek voor risicokapitaal wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk;

    - in afwijking van artikel 206 , de vorige beroepsverliezen.


----------------------------------------
Art. 207 :
   

    *
      art. 207, 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2007. (Art. 13, W 22.06.2005) B.S. 30.06.2005 en (Art. 19, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006
       
    *
      art. 207, 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 11, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 11, W 24.12.2002]
    *
      art. 207, 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2002. (Art. 27, W 22.05.2001) B.S. 09.06.2001
       
    *
      art. 207, 3e lid, is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 tot stand gekomen verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap. (Art. 29, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 207 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 115, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

KB/WIB 92:      74, 75, 76, 77, 78, 79

 

Afdeling V

Ontbinding en vereffening



Artikel 208


    Vennootschappen in vereffening blijven aan de vennootschapsbelasting onderworpen volgens de bepalingen van de artikelen 183 tot 207.

    Hun winst bevat mede de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van hun vermogen.


----------------------------------------
Art. 208 :
   

    *
      art. 208 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 116, WIB Art. 117, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     208

 

Artikel 209


    Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap wordt verdeeld ten gevolge van ontbinding of om enige andere reden, wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen in geld, in effecten of in enige andere vorm, en de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.

    De uitkeringen worden geacht achtereenvolgens voort te komen :

    1° eerst uit de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal ;

    2° vervolgens uit de voorheen gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van het vermogen inbegrepen ;

    3° en tenslotte uit de voorheen vrijgestelde winst.

    Wanneer de verdeling van het maatschappelijk vermogen trapsgewijze plaatsvindt, wordt het eerste lid toegepast telkens wanneer een verdeling het verschil overtreft tussen, eensdeels, het bedrag van het bij de ontbinding gestorte kapitaal, gerevaloriseerd volgens de coëfficiënten van toepassing op de datum van die verdeling en, anderdeels, de vroegere verdelingen na revalorisatie daarvan volgens de coëfficiënten die op dezelfde datum van toepassing zijn voor de jaren waarin die verdelingen hebben plaatsgehad.


----------------------------------------
Art. 209 :
   

    *
      art. 209 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 118, WIB Art. 122, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 210


    § 1. De artikelen 208 en 209 zijn mede van toepassing :

    1° bij fusie door overneming, bij fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, bij splitsing door overneming, bij splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, bij gemengde splitsing of bij met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting ;

    1° bis bij met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, zonder dat alle overdragende vennootschappen ophouden te bestaan;

    2° bij ontbinding zonder verdeling van het maatschappelijk vermogen, anders dan in gevallen als vermeld onder 1° en 1° bis;

    3° bij het aannemen van een andere rechtsvorm, behalve in de gevallen als vermeld in de artikelen 774 tot 787 van het Wetboek van vennootschappen ;

    4° bij het overbrengen van de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar het buitenland ;

    5° bij de erkenning door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in onroerende goederen of in niet genoteerde aandelen.

    § 2. In de in § 1 vermelde gevallen, wordt de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen op de datum waarop de bedoelde verrichtingen hebben plaatsgevonden, gelijkgesteld met een bij verdeling van maatschappelijk vermogen uitgekeerde som.

    § 3. In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van de artikelen 208 en 209 in geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in § 1, 1° bis, niet van toepassing op het maatschappelijk vermogen dat ingevolge de verrichting niet door de overdragende vennootschap wordt overgedragen.

    In dat geval wordt de gelijkstelling met een bij verdeling van maatschappelijk vermogen uitgekeerde som als bedoeld in § 2, beperkt tot de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat ten gevolge van de verrichting bij de verkrijgende vennootschap is ingebracht.

    Voor de toepassing van artikel 209, tweede lid, 1°, wordt met betrekking tot dergelijke verrichting het gestorte kapitaal van de overdragende vennootschap bepaald naar verhouding tot het evenredige aandeel van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat ingevolge de verrichting bij de verkrijgende vennootschap is ingebracht, in het totaal van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen van de overdragende vennootschap, vóór de verrichting.

    Opneming van winst van het boekjaar of van gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de belastbare winst tot het bedrag van de overeenkomstig het vorige lid op het gestorte kapitaal aan te rekenen uitkering die geen aanleiding heeft gegeven tot een werkelijke vermindering van het kapitaal.

    § 4. Bij fusie door overneming, bij fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, bij splitsing door overneming, bij splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, bij gemengde splitsing en bij met splitsing gelijkgestelde verrichting, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en van het koninklijk besluit tot uitvoering van dat Wetboek, wordt ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap :

    - het door de inbreng gestorte kapitaal geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen bedoeld in § 2 of in § 3, tweede lid, dat bij deze vennootschap is ingebracht, voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven ;

    - de aanschaffingswaarde van de ingebrachte bestanddelen geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde die zij hadden bij de overgenomen of gesplitste vennootschap op de datum waarop de verrichting heeft plaatsgevonden.


----------------------------------------
Art. 210 :
   

    *
      art. 210, 5°, is van toepassing vanaf 10.01.2005. (Art. 375, W 27.12.2004) B.S. 31.12.2004
       
    *
      art. 210 is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 06.02.2001 hebben plaatsgevonden (Art. 12, W 16.07.2001) B.S. 20.07.2001.
       
    *
      art. 210, § 1, 5°, is van toepassing met ingang van 02.06.1997. (Art. 4, W 16.04.1997) B.S. 23.05.1997
       
    *
      art. 210, § 1, 5°, is van toepassing met ingang van 02.01.1995. (Art. 101, W 21.12.1994) B.S. 23.12.1994
       
    *
      art. 210 is van toepassing op de verrichtingen die plaatsvinden vanaf 01.10.1993, met uitzondering van § 2, 2e lid, dat van toepassing is op de verrichtingen van fusie, splitsing, aannemen van een andere rechtsvorm of inbreng die vanaf 01.10.1993 plaatsvinden. (Art. 2, W 06.08.1993 Art. 27, W 22.12.1998) B.S. 31.08.1993
       
    *
      art. 210 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 123, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     210

 

Artikel 211


    § 1. In geval van fusie, splitsing of met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 210, § 1, 1° , en in geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 210, § 1, 1° bis:

    1° komen de meerwaarden als vermeld in de artikelen 44, § 1, 1° en 47 , die op het ogenblik van de verrichting zijn vrijgesteld, de kapitaalsubsidies vermeld in artikel 362 , die op het ogenblik van de verrichting nog niet als winst worden aangemerkt, alsmede de meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, niet in aanmerking voor belastingheffing ingevolge artikel 208, tweede lid, of artikel 209 ;

    2° blijft belastingheffing ingevolge artikel 209 voor het overige achterwege voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven.

    Het eerste lid is slechts van toepassing op voorwaarde dat :

    1° de overnemende of de verkrijgende vennootschap een binnenlandse vennootschap is ;

    2° de verrichting wordt verwezenlijkt overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen ;

    3° de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

    Het eerste lid is evenmin van toepassing op verrichtingen waaraan een door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen erkende vennootschap met vast kapitaal voor belegging in onroerende goederen of in niet genoteerde aandelen deelneemt.

    § 2. In de in § 1, eerste lid, vermelde gevallen wordt het bedrag van het gestorte kapitaal, en van de voorheen gereserveerde winst van de overgenomen of gesplitste vennootschap, ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap verminderd met het gedeelte van de inbreng dat niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven.

    De vermindering wordt eerst aangerekend op de belaste reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de vrijgestelde reserves en ten slotte op het gestorte kapitaal.

    In zover de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap wordt, in afwijking van het tweede lid, de vermindering verhoudingsgewijs aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves, waarbij de vermindering van de reserves bij voorrang op de belaste reserves wordt aangerekend.

    Geen enkele vermindering wordt aangerekend op de in § 1, eerste lid, 1° vermelde meerwaarden en kapitaalsubsidies, noch op de in artikel 48 vermelde vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen die als dusdanig in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen worden teruggevonden.

    De vermindering van het gestorte kapitaal wordt geacht te zijn gedaan op de datum van de in § 1, eerste lid, vermelde verrichting.

----------------------------------------
Art. 211 :
   

    *
      art. 211, § 1, derde lid, is van toepassing vanaf 10.01.2005. (Art. 375, W 27.12.2004) B.S. 31.12.2004
       
    *
      art. 211, § 1, 1e lid en 2e lid, 2°, is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 06.02.2001 hebben plaatsgevonden. (Art. 13, W 16.07.2001) B.S. 20.07.2001
    *
      art. 211, § 1, 1e lid, 1° en § 2, 4e lid, is van toepassing op de verrichtingen van fusie of splitsing die vanaf 15.01.1999 plaatsvinden. (Art. 28, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 211, § 1, 3e lid, is van toepassing met ingang van 02.06.1997. (Art. 5, W 16.04.1997) B.S. 23.05.1997
       
    *
      art. 211, § 1, 3e lid, is van toepassing met ingang van 02.01.1995. (Art. 102, W 21.12.1994) B.S. 23.12.1994
       
    *
      art. 211 is van toepassing op de verrichtingen die plaatsvinden vanaf 01.10.1993. (Art. 3, W 06.08.1993) B.S. 31.08.1993
       
    *
      art. 211 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 124, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     211

 

Artikel 212


    In gevallen als vermeld in artikel 211 worden de afschrijvingen, investeringsaftrekken, kapitaalsubsidies, minderwaarden of meerwaarden die bij de overnemende of verkrijgende vennootschappen met betrekking tot de bij hen ingebrachte bestanddelen in aanmerking worden genomen en het gestorte kapitaal bepaald alsof de fusie of de splitsing niet had plaatsgevonden.

    In dezelfde gevallen blijven de bepalingen van dit Wetboek op de wijze en onder de voorwaarden als daarin zijn gesteld, van toepassing op de waardeverminderingen, voorzieningen, onder- en overwaarderingen, kapitaalsubsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves die bij de overgenomen of gesplitste vennootschappen bestonden, in zover die bestanddelen worden teruggevonden in de activa van de overnemende of verkrijgende vennootschappen; de fusie of splitsing mag niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke termijn voor herbelegging van de aan die voorwaarden onderworpen meerwaarden wordt verlengd.

    Voor de toepassing van dit Wetboek worden de in artikel 211, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, geacht niet te zijn verwezenlijkt.


----------------------------------------
Art. 212 :
   

    *
      art. 212, 1e en 2e lid, is van toepassing op de verrichtingen van fusie of splitsing die vanaf 15.01.1999 plaatsvinden. (Art. 29, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
    *
      art. 212 is van toepassing op de verrichtingen die plaatsvinden vanaf 01.10.1993. (Art. 4, W 06.08.1993 Art. 29, W 22.12.1998) B.S. 31.08.1993
       
    *
      art. 212 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 124, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

 

Artikel 213


    Bij het bepalen van het gestorte kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die in geval van splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, en bij het bepalen van de in artikel 211, § 2 , vermelde vermindering, worden die vennootschappen geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen.

    In geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting bedoeld in artikel 211, § 1 , wordt voor de toepassing van dit Wetboek, de overdragende vennootschap, al naargelang van het geval, aangemerkt hetzij als gesplitste vennootschap, hetzij als overnemende of verkrijgende vennootschap.

----------------------------------------
Art. 213 :
   

    *
      art. 213, 2e lid, is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 06.02.2001 hebben plaatsgevonden. (Art. 14, W 16.07.2001) B.S. 20.07.2001
    *
      art. 213 is van toepassing op de verrichtingen die plaatsvinden vanaf 01.10.1993. (Art. 5, W 06.08.1993) B.S. 31.08.1993
       
    *
      art. 213 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 124, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Artikel 214


    § 1. Behoudens wanneer een binnenlandse vennootschap wordt omgezet in een landbouwvennootschap die niet voor de heffing van de vennootschapsbelasting heeft gekozen, en niettegenstaande het bepaalde van artikel 210, § 1, 3° , blijft belastingheffing ingevolge de artikelen 208 en 209 achterwege bij het aannemen van een andere rechtsvorm, wanneer de waardering van de activa- en passivabestanddelen, met inbegrip van het kapitaal en de reserves, geen wijziging ondergaat naar aanleiding van de verrichting. Artikel 212 is van toepassing op de aldus omgezette vennootschappen.

    Artikel 212 is mede van toepassing ingeval vennootschappen die zijn opgericht in een der vormen bepaald in het Wetboek van koophandel, met vrijstelling van belasting zijn omgezet vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 februari 1967 tot wijziging, wat de omzetting van vennootschappen betreft, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.

    § 2. Artikel 212 zoals het bestaat na de wet van 22 december 1998, houdende fiscale en andere bepalingen, is mede van toepassing in geval van fusie of splitsingen van vennootschappen die vóór 1 oktober 1993 met vrijstelling van belasting hebben plaatsgevonden.

     § 3. Voor de toepassing van de artikelen 212 en 213 worden de fusies, splitsingen en omzettingen, alsmede de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen waarin de overgenomen, gesplitste of omgezette vennootschappen voorheen met vrijstelling van belasting hebben deelgenomen, geacht niet te hebben plaatsgevonden.


----------------------------------------
Art. 214 :
   

    *
      art. 214 is van toepassing vanaf 18.12.1998. (Art. 18, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
    *
      art. 214 is van toepassing voor de verrichtingen die plaatsvinden vanaf 01.10.1993. (Art. 6, W 06.08.1993) B.S. 31.08.1993
       
    *
      Art. 214, 1e lid, wordt opgeheven met ingang van het aanslagjaar 1993. (Art. 21, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 214 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 124, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

HOOFDSTUK III Berekening van de belasting



Afdeling I

Gewoon stelsel van aanslag



Onderafdeling I

Belastingtarief



Artikel 215


    Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 33 pct.

    Wanneer het belastbare inkomen niet meer dan 322.500 EUR bedraagt, wordt de belasting evenwel als volgt vastgesteld :

    1° op de schijf van 0 tot 25.000 EUR : 24,25 pct.;

    2° op de schijf van 25.000 EUR tot 90.000 EUR : 31 pct.;

    3° op de schijf van 90.000 EUR tot 322.500 EUR : 34,5 pct.

   Het tweede lid is niet van toepassing :

   1° op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die aandelen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. In aanmerking komen de waarde van de aandelen en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden op de dag waarop de vennootschap die de aandelen bezit haar jaarrekening heeft opgesteld. Om te bepalen of de grens van 50 pct. overschreden is, worden de aandelen, die ten minste 75 pct. vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen ;

   2° op vennootschappen waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen en die geen door de Nationale raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen zijn ;

   3° op vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 pct. van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk ;

   4° op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging hebben toegekend die gelijk is aan of hoger is dan het belastbare inkomen van de vennootschap, wanneer die bezoldiging minder bedraagt dan 36.000 EUR;

   5° op vennootschappen die deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra ;

   6° op de beleggingsvennootschappen bedoeld in artikel 6 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, in de mate dat artikel 185bis, § 1, toepassing vindt.

----------------------------------------
Art. 215 :
   

    *
      art. 215, derde lid, 4°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2008. (Art. 2, W 08.01.2004) B.S. 26.01.2004
       
    *
      art. 215, derde lid, 6°, is van toepassing met ingang van 01.01.2007. (Art. 323, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006 [Voor de toepassing van de fiscale bepalingen worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarop de overgangsbepalingen van de wet van 20.07.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles van toepassing zijn, geacht vanaf 01.01.2007 onder het toepassingsgebied te vallen van de bepaling die overeenkomstig hun statuut gebruikt wordt in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.].
       
    *
      art. 215, derde lid, 4°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2007. (Art. 3, W 08.01.2004) B.S. 26.01.2004 [Elke wijziging die vanaf 26.09.2003 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking op de toepassing van de artikelen 2 en 3, W 08.04.2004]
       
    *
      art. 215, derde lid, 4°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2006. (Art. 3, W 08.01.2004) B.S. 26.01.2004
        
    *
      art. 215, derde lid, 4°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2005. (Art. 3, W 08.01.2004) B.S. 26.01.2004 [Elke wijziging die vanaf 26.09.2003 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking op de toepassing van de artikelen 2 en 3, W 08.01.2004]
       
    *
      art. 215, 1e en 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 12, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 12, W 24.12.2002]
        
    *
      Met ingang van het aanslagjaar 2002 worden de in dit artikel opgenomen bedragen in euro uitgedrukt. (Art. 1, KB 20.07.2000) B.S. 30.08.2000 en (Art. 42, 5°, KB 13.07.2001) B.S. 11.08.2001
       
    *
      art. 215, 3e lid, 1°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. (Art. 31, W 22.12.1998) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 215, 3e lid, 4°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1998. (Art. 30, KB 20.12.1996) B.S. 31.12.1996
       
    *
      art. 215, 3e lid, 4°, 5°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994. (Art. 10, W 28.12.1992 Art. 6, W 22.07.1993 Art. 31, W 22.12.1998) B.S. 31.12.1992
       
    *
      art. 215, 3e lid, 3°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1993. (Art. 22, W 28.07.1992) B.S. 31.07.1992
       
    *
      art. 215 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 126, WIB Art. 1, KB 10.04.1992 Art. 22, W 28.07.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     215

 

Artikel 216


   Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt :

   1° 21,5 pct. voor de Belgische dienst voor bedrijfsleven en landbouw ;

   1°bis 16,5 pct. voor wat de belastbare bedragen betreft bij een in de artikelen 210, § 1, 5°, en 211, § 1, derde lid, vermelde verrichting ;

   2° 5 pct. :

   a) voor de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsverenigingen van die vennootschappen, die tot uitvoering van het statuut van de NV Beroepskrediet krediet voor ambachtsoutillage mogen verstrekken ;

    b) voor vennootschappen voor huisvesting zijnde de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société wallonne du Logement, de Société wallonne du Crédit social, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen, de coöperatieve vennootschappen "Woningfonds van de Bond der kroostrijke gezinnen van België", "Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen", "Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie" en "Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest", zomede door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest erkende vennootschappen, die uitsluitend tot doel hebben leningen toe te staan voor het bouwen, het aankopen of het inrichten van sociale woningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, of voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair.


----------------------------------------
Art. 216 :
   

    *
      art. 216, 1°bis, is van toepassing op de operaties verwezenlijkt vanaf 01.01.2005. (Art. 342, W 27.12.2004) B.S. 31.12.2004
         
    *
      art. 216, 2°, b), is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2002. (Art. 19, 04.05.1999 ) B.S. 12.06.1999 en
      (Art. 3, W 31.07.2004 ) B.S. 23.08.2004
         
    *
      art. 216, 2°, a), is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1998. (Art. 32, W 22.12.1998 Art. 1, KB 25.04.1997 Art. 19, W 04.05.1999) B.S. 15.01.1999
       
    *
      art. 216, 1°bis, is van toepassing met ingang van 02.01.1995 (Art. 103, W 21.12.1994) B.S. 23.12.1994
       
    *
      art. 216, 2°, is van toepassing met ingang van 26.07.1994. (Art. 29, W 06.07.1994) B.S. 16.07.1994
       
    *
      art. 216 is van toepassing met ingang van 01.01.1993. (Art. 35, W 28.12.1992) B.S. 31.12.1992
       
    *
      art. 216 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 127, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     216

 

Onderafdeling II

...



Artikel 217


   ...


----------------------------------------
Art. 217 :
   

    *
      art. 217 en de inleidende bepaling, is opgeheven met ingang van het aanslagjaar 2004. (Art. 13, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002 [Elke wijziging die vanaf 25.03.2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen als vermeld in art. 13, W 24.12.2002]
    *
      art. 217 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 128, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     217

 

Onderafdeling III

Vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan



Artikel 218


   § 1. De belasting berekend overeenkomstig de artikelen 215 tot 217 wordt eventueel vermeerderd zoals vermeld in de artikelen 157 tot 168, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.

   In afwijking van de artikelen 160 en 165, vinden de beperking van de vermeerdering tot 90 pct. en de verhoging van de berekeningsgrondslag tot 106 pct. van de Rijksbelasting evenwel geen toepassing.

   § 2. Geen vermeerdering is verschuldigd op de overeenkomstig artikel 215, tweede lid , berekende belasting, die betrekking heeft op de eerste drie boekjaren vanaf de oprichting van de vennootschap.

----------------------------------------
Art. 218 :
   

    *
      art. 218, § 2, is van toepassing op de vennootschappen waarvan het eerste boekjaar is verbonden aan het aanslagjaar 2004 of aan een later aanslagjaar. (Art. 14, W 24.12.2002) B.S. 31.12.2002
    *
      art. 218 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 129, WIB Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992

Com.IB 92:     218

 

Afdeling II

Afzonderlijke aanslagen



Artikel 219


   Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord  door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden.

   Die aanslag is gelijk aan 300 pct. van die kosten, voordelen van alle aard en verdoken meerwinsten.

   Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4°.

   Deze aanslag is niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de genieter overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte.

----------------------------------------
Art. 219 :
   

    *
      art. 219, 1e, 2e en 4e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2007. (Art. 20, W 27.12.2006) B.S. 28.12.2006
        
    * art. 219, 4e lid is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2003. (Art. 2, W 27.11.2002) B.S. 10.12.2002
       
    *
      art. 219, 1e en 3e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1999. (Art. 21, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
       
    *
      art. 219, 2e lid, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1995. (Art. 15, W 30.03.1994) B.S. 31.03.1994
       
    *
      art. 219 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992. (Art. 33, W 07.12.1988 Art. 1, KB 10.04.1992) B.S. 30.07.1992
      

Com.IB 92:     219

 

Artikel 219bis


    § 1. Ten name van de kredietverenigingen en van de maatschappijen voor onderlinge borgstelling die lid zijn van het net van het beroepskrediet en van de kredietkassen erkend door de N.V. Landbouwkrediet, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit dat net, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.

    Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze vereniging, maatschappij of kas wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet, of tijdens hetwelk de erkenning wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.

    Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves zoals die bestonden op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993.

     § 2. Ten name van de vennootschappen als vermeld in artikel 216, 2°, a en van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend hetzij door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement, de Brusselse gewestelijke Huisvestingsmaatschappij of de Vlaamse Landmaatschappij, hetzij door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit het net van het beroepskrediet, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.

    Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de vennootschap of vereniging wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet of tijdens hetwelk de erkenning van de vennootschap wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.

    Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk.

   § 3. Ten name van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2° wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op de dividenduitkering.

    Die aanslag is gelijk aan 34 % van die dividenduitkering.

----------------------------------------
Art. 219bis :
   

    *
      art. 219bis, § 2, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2002. (Art. 22, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
    *
      art. 219bis, § 3, is van toepassing op de vanaf 18.12.1998 uitgekeerde dividenden. (Art. 22, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999
       
    *
      art. 219bis, § 1 en § 2, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. (Art. 22, W 04.05.1999 Art. 47, W 04.05.1999) B.S. 12.06.1999