law : tax : deathtaxcode

Wetboek van Successierechten - Hoofdstuk I : Vestiging van de rechten

Afdeling I : Erfopvolging bij versterf en testamentaire erfopvolging

Artikel 1: Er wordt gevestigd:

1° een recht van successie op de waarde, na aftrekking van de schulden, van al wat uit de nalatenschap van een Rijksinwoner wordt verkregen;

2° een recht van overgang bij overlijden op de waarde der onroerende goederen gelegen in België verkregen uit de nalatenschap van iemand die geen Rijksinwoner is.
Voor een Rijksinwoner wordt gehouden, hij die, op het ogenblik van zijn overlijden, binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd.

Artikel 2: Deze rechten zijn verschuldigd op de erfgoederen ongeacht of zij ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling worden overgemaakt.
Ze zijn, bovendien, verschuldigd in de gevallen aangeduid onder artikelen 3 tot 14.

Afdeling II : Overdrachten en beschikkingen gelijkgesteld met overgangen uit oorzaak van dood

Artikel 3: (opgeheven)

Artikel 4 : Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° alle schulden alleenlijk bij uiterste wil erkend;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die een bevoordeling vermommen onder het voorkomen van een contract ten bezwarenden titel, en niet aan het voor de schenkingen gevestigd registratierecht werden onderworpen.
(3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Art. 4 : 3° alleen voor Vlaanderen ingevoegd bij art. 13, Vlaams decreet 24.12.2004 in B.S., 31.12.2004, inwerking met ingang van 01.01.2005.)

Artikel 5 : De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Artikel 6 : De overlevende man wordt geacht legataris te zijn van het deel der bij de ontbinding der gemeenschap bestaande goederen, dat hem tengevolge van verwerping door de erfgenamen zijner vrouw ten goede komt.

Artikel 7 : De goederen, waarover, naar het door het bestuur geleverd bewijs, de afgestorvene kosteloos beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, indien de bevoordeling niet onderworpen werd aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen, behoudens verhaal van de erfgenamen of legatarissen op de begiftigde voor de wegens die goederen gekweten successierechten.
Wanneer er door het bestuur of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling een bepaalde persoon gold, wordt deze voor legataris van de geschonken zaak gehouden.

Artikel 8 : Worden geacht als legaat te zijn verkregen, de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen, bij het overlijden van de overledene, ingevolge een contract bevattende een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding.
Worden eveneens geacht als legaat te zijn verkregen, de sommen, renten of waarden, die een persoon geroepen was kosteloos te ontvangen binnen drie jaar vóór het overlijden van de overledene of die hij geroepen is kosteloos na dit overlijden te ontvangen, ingevolge een contract bevattende een door de overledene ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding.
Dit artikel is mede van toepassing op de sommen of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen bij het overlijden van hem, die een levensverzekering aan order of aan toonder heeft aangegaan.
Wanneer de overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, die aan zijn echtgenoot toevallen ingevolge een door deze echtgenoot afgesloten levensverzekering of contract met vestiging van rente, zomede de sommen, renten of waarden, die hij geroepen is kosteloos te ontvangen ingevolge een contract bevattende een door de overledene of door een derde ten behoeve van de echtgenoot gemaakt beding, geacht als legaat door de echtgenoot te zijn verkregen, tot beloop van hun algeheel bedrag, zo de sommen, renten of waarden werden verkregen als tegenwaarde voor eigen goederen van de overledene, en enkel tot beloop van de helft in al de andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd wanneer er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen werden als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt daaraan niet de aard van bevoordeling.
De verkrijger wordt ondersteld kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs.
Dit artikel is niet van toepassing:
1° op de sommen, renten of waarden, verkregen ingevolge een beding dat aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen werd onderworpen;
2° op de renten en kapitalen gevestigd tot uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° op de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de overledene werden gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de overledene of, bij gebreke, ten behoeve van zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering hetzij van een groepsverzekeringscontract onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming en beantwoordende aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke contracten, hetzij van het bindend reglement van een voorzorgsfonds opgericht ten behoeve van het personeel van de onderneming;
4° op de sommen, renten of waarden, bij het overlijden van de overledene verkregen, ingevolge een contract bevattende een door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding, wanneer er bewezen wordt dat deze derde kosteloos ten behoeve van de verkrijger heeft bedongen.

Artikel 9 : De roerende of onroerende goederen, verkregen ten bezwarenden titel voor het vruchtgebruik door de overledene en voor de blote eigendom door een derde, alsmede de effecten aan toonder of op naam, ingeschreven voor het vruchtgebruik op naam van de overledene en voor de blote eigendom op naam van een derde worden, voor de heffing van het uit hoofde van de nalatenschap van de overledene eisbaar successierecht en recht van overgang bij overlijden, geacht in volle eigendom in dezes nalatenschap voorhanden te zijn en door de derde als legaat te zijn verkregen, tenzij het bewezen wordt dat de verkrijging of de inschrijving niet een bedekte bevoordeling ten behoeve van de derde is.

Artikel 10 : In geval van verdeling of van met verdeling gelijkstaande akte, waarin de overledene toebedeeld werd een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht dat bij zijn overlijden moet vervallen, wordt de verrichting, voor de heffing van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met een legaat ten behoeve van de deelgenoten van de overledene, verkrijgers van de blote eigendom of belast met het levenslang recht, in de mate waarin evenbedoelde personen goederen in eigendom boven hun deel in de onverdeeldheid hebben verkregen.
De belastbare waarde wordt bepaald door een breuk van de waarde, ten dage van het overlijden van de goederen toebedeeld in eigendom aan elkeen van bedoelde deelgenoten, breuk uitgedrukt door de verhouding die bestaat, ten dage van de verdeling, tussen het bedrag der bedekte bevoordeling en de waarde der in eigendom toebedeelde goederen.
Dit artikel is niet van toepassing wanneer er bewezen wordt dat de verdeling geen bevoordeling ten behoeve van de verscheidene mederechthebbenden in de onverdeeldheid bedekte.

Artikel 11 : De roerende of onroerende goederen, die door de overledene ten bezwarenden titel werden verkocht of afgestaan, worden, voor de heffing van het uit hoofde van de nalatenschap van de overledene eisbaar successierecht en eisbaar recht van overgang bij overlijden, geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer, indien, naar luid van de overeenkomst, de overledene zich een vruchtgebruik heeft voorbehouden of de overlating, te zijnen bate, hetzij van het vruchtgebruik van een ander goed, hetzij van elk ander levenslang recht heeft bedongen, tenzij het wordt bewezen dat verkoop of afstand niet een bedekte bevoordeling is ten behoeve van de verkrijger of van de overnemer.
Indien de overledene, daarenboven, de overlating van een goed in eigendom te zijnen bate heeft bedongen, is de belasting verschuldigd op een breuk der waarde, ten dage van het overlijden, van de door de overledene verkochte of afgestane goederen, breuk bepaald door de verhouding die bestaat ten dage van de verkoop tussen het bedrag der bedekte bevoordeling en de waarde der door de overledene afgestane goederen.
Het recht van overgang, geheven bij de registratie der akte van verkoop of van afstand, en, in voorkomend geval, het overschrijvingsrecht, worden afgetrokken van het successierecht of van het recht van overgang bij overlijden, in de mate waarin laatstgemelde rechten eisbaar zijn krachtens dit artikel eventueel gecombineerd met het volgend artikel.

Artikel 12 : Wanneer er, in de gevallen voorzien onder artikelen 9, 10 en 11, niet bewezen wordt dat de verrichting geen bevoordeling verbergt, doch er uitgemaakt wordt dat de overledene werkelijk het levenslang recht genoten heeft, is er aanleiding toe, op de belastbare grondslag, ten dage van het openvallen der nalatenschap, een evenredige vermindering toe te passen zoals deze voorzien onder de tweede alinea van artikelen 10 en 11, en zulks rekening gehouden met de waarde van bedoeld levenslang recht gekapitaliseerd tegen 4 % en volgens het werkelijk aantal volle jaren gedurende dewelke de overledene het genoten heeft; gaat het om een vruchtgebruik of ander zakelijk levenslang recht, dan dient de waarde van het in aanmerking te nemen jaarlijks inkomen forfaitairlijk vastgesteld op 4 % van de waarde van de volle eigendom van het goed ten dage van het contract.

Artikel 13 : Het krachtens artikelen 8, 5e alinea, 9, 10, 3e alinea, 11, 1e alinea en 12 te leveren bewijs, kan door alle gewone rechtsmiddelen, ook door getuigen en vermoedens, bijgebracht worden.

Artikel 14 : Artikelen 9 tot 13 zijn niet van toepassing:
1° indien de overledene langer heeft geleefd: dan de derde, in het geval van artikel 9; dan de mederechthebbende in de onverdeeldheid, verkrijger van de blote eigendom of belast met het levenslang recht, in het geval van artikel 10; dan de verkrijger of overnemer, in het geval van artikel 11;
2° indien de derde, in het geval van artikel 9, de mederechthebbende in de onverdeeldheid, verkrijger van de blote eigendom of belast met het levenslang recht, in het geval van artikel 10, de verkrijger of de overnemer, in het geval van artikel 11, niet behoren tot de soort van personen vermeld in de alinea's 1, 2 en 3 van artikel 33.