Wetboek successierechten - XII. Bewijsmiddelen

Afdeling II : Bijzondere bewijsmiddelen


Artikel 107

Wanneer de nalatenschap van een Rijksinwoner de eigendom, voor het geheel of voor een deel, van een handelszaak bevat, is de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen gerechtigd, met machtiging van de directeur-generaal, de overlegging, zonder verplaatsing, te eisen van de handelsboeken, inventarissen en balansen en daaruit alle dienstige inlichtingen te putten.

In geval van geding tussen Staat en erfgenamen, mag de mededeling in rechte van bedoelde boeken en stukken niet geweigerd worden.


Artikel 108

De eis tot betaling van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, alsmede van de boeten wegens gebrek aan aangifte of wegens niet-aangifte van enig roerend of onroerend goed, is, tot levering van het tegenbewijs, voldoende vastgesteld bij de door de afgestorvene te zijnen bate of op zijn verzoek verleden akten van eigendom.

Edoch, ten opzichte der roerende goederen waarop artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek betrekking heeft, bestaat het door vorige alinea gevestigd wettelijk vermoeden slechts op voorwaarde dat de akten niet reeds sedert meer dan drie jaar vòòr het overlijden bestaan; in het tegenovergesteld geval, kan het bestaan van bedoelde akten door het bestuur enkel ingeroepen worden als een element van vermoeden, overeenkomstig artikel 105.


Artikel 109

Er bestaat insgelijks, tot levering van het tegenbewijs, een wettelijk vermoeden van eigendom voor de eis tot betaling der rechten van successie en van overgang bij overlijden en der boeten in de volgende gevallen:

1° wat aangaat de onroerende goederen, wanneer zij ingeschreven zijn op het kohier der grondbelasting ten name van de overledene en wanneer door deze laatste betalingen gedaan werden volgens dit kohier;

2° wat aangaat de hypothecaire renten en schuldvorderingen, wanneer zij te zijnen behoeve in de registers der hypotheekbewaarders ingeschreven zijn;

3° wat de schuldvorderingen op de Belgische Staat aangaat, wanneer zij voorkomen ten name van de overledene, op het Grootboek der Staatsschuld;

4° wat aangaat de obligatiën, aandelen of andere schuldvorderingen op de provinciën, gemeenten, openbare instellingen en stichtingen van openbaar nut van het Rijk, wanneer zij ten name van de overledene op hun registers en rekeningen ingeschreven zijn.

--------------------
Art. 109 : 4°, gewijzigd bij W 02.05.2002 (B.S. 18.10.2002),
           van toepassing vanaf 01.07.2003 - Erratum B.S. 19.10.2002
           - Annulatie en vervanging (art. 48, W 02.05.2002) B.S.
           11.12.2002 - Inwerkingtreding (Art. 32, W 16.01.2003)
           B.S. 05.02.2003 en (Art. 4, KB 02.04.2003) B.S. 06.06.2003.


Artikel 110

Worden voor de heffing van het successierecht geacht de overledene voor een hoofdelijk aandeel toe te behoren, behoudens tegenbewijs voorbehouden zowel aan het bestuur als aan de belastingschuldigen, de effecten, sommen, waarden of om 't even welke voorwerpen die gedeponeerd zijn in een brandkast welke door de overledene en door één of meer andere personen samen of solidair wordt in huur gehouden - of als dusdanig wordt beschouwd door artikelen 102/2 en 102/3 - alsook de gehouden zaken en de verschuldigde sommen die bedoeld worden in artikel 99.

Worden geacht de overledene voor het geheel toe te behoren, behoudens tegenbewijs, de effecten, sommen, waarden of om 't even welke voorwerpen die in een gesloten koffer, omslag of colli op naam van de overledene alleen gedeponeerd zijn bij een der in artikel 97 aangeduide fysieke of morele personen, of die zich bevinden in een brandkast welke door de overledene alleen wordt in huur gehouden - of als dusdanig wordt aangezien door artikelen 102/2 en 102/3.

Het tegenbewijs van deze vermoedens van eigendom mag worden geleverd door alle rechtsmiddelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed.