Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Hoofdstuk X : Bewijsmiddelen

Afdeling I : Algemene bepalingen

Artikel 185 W. Reg. anno 2006:

Behoudens de bewijs- en controlemiddelen speciaal voorzien in deze titel, wordt het bestuur er toe gemachtigd volgens de regelen en door alle middelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed, en, bovendien door de processen-verbaal van zijn agenten, elke overtreding van de beschikkingen van deze titel vast te stellen en om het even welk feit te bewijzen dat de opvorderbaarheid van een recht of een boete laat blijken of er toe bijdraagt deze opvorderbaarheid te laten blijken.

De processen-verbaal gelden als bewijs tot het tegendeel bewezen is. Zij zullen aan belanghebbenden betekend worden binnen de maand van de vaststelling van de overtreding. Deze betekening mag gebeuren bij een ter post aangetekend schrijven. De afgifte van het stuk ter post geldt als betekening van de volgende dag af.

(Art 185 zoals vervangen bij art. 11, W 13.08.1947 (B.S., 17.09.1947) en gewijzigd bij art. 3 (art. 118), W 10.10.1967 (B.S., 31.10.1967).

Artikel 186 opgeheven in 1947.

Artikel 187 W. Reg. Verandering in eigendom of vruchtgebruik van een in België gelegen onroerend goed, ten gevolge van een overdragende of aanwijzende overeenkomst, wordt, ter vordering van het recht tegen de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker, in voldoende mate bewezen door daden van beschikking of van bestuur of door andere handelingen of akten waarbij, in zijnen hoofde, de eigendom of het vruchtgebruik vastgesteld of ondersteld wordt.

Artikel 188 W. Reg. Wordt als koper voor eigen rekening beschouwd en mag zich op de hoedanigheid van lasthebber of van commissionnair van de verkoper niet beroepen, ieder persoon die de verkoop van een onroerend goed bewerkt, wanneer vaststaat dat hij, reeds vóór het tot stand brengen van deze verkoop, aan de eigenaar de prijs of elke van de verkoop voort te komen som betaald heeft of er zich toe verbonden heeft te betalen. De tussenpersoon wordt geacht het onroerend goed te hebben verkregen op de dag van de betaling of van de verbintenis tot betaling.

Afdeling II : Controleschatting