inkomstenbelasting

Titel II - Personenbelasting
Hoofdstuk II - Grondslag van de belasting
Afdeling II : Inkomen van onroerende goederen

Artikel 14
    Van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen :

   1° de interest uit hoofde van schulden, met inbegrip van de schulden die betrekking hebben op de in artikel 12, § 3, vermelde woning en die niet zijn bedoeld in artikel 104, 9° , die specifiek zijn aangegaan om die goederen of die in artikel 12, § 3 , bedoelde woning te verwerven of te behouden met dien verstande dat interest betreffende een schuld die voor één enkel onroerend goed is aangegaan, van het totale bedrag van de onroerende inkomsten kan worden afgetrokken;
....
Het totale bedrag van de in het eerste lid vermelde aftrekken is beperkt tot het overeenkomstig de artikelen  7 tot 13 bepaalde onroerend inkomen.

   Deze aftrekken worden evenredig afgetrokken van de inkomsten van onroerende goederen.

   Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de in het eerste lid vermelde aftrekken van de ene belastingplichtige groter zijn dan zijn inkomsten van onroerende goederen, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de onroerende goederen van de andere belastingplichtige.