Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Afdeling I : Overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen

7. Afzonderlijke verkrijgingen van de grond en van de opstal

Artikel 74

Wie bij een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel, andere dan een inbreng in vennootschap vermeld in artikel 115bis, de eigendom heeft verkregen, hetzij van hout op stam onder beding van het te vellen, hetzij van gebouwen onder beding van ze te slopen, en nadien onder de levenden de eigendom verkrijgt van de grond vooraleer het hout gans geveld is of de gebouwen volkomen gesloopt zijn, moet uit hoofde van de eerste verkrijging en op de grondslag aangewezen in artikel 45 en volgende, het voor de verkoop van onroerende goederen vastgesteld recht kwijten, met aftrek van het evenredig registratierecht dat eventueel op deze verkrijging werd geheven.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing zo er bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde werd gekweten voor de levering van het hout op stam of van de te slopen gebouwen.

Artikel 75


Wordt als overdracht van een onroerend goed aangezien, die welke voortvloeit uit een overeenkomst onder de levenden te bezwarenden titel, andere dan een inbreng in vennootschap vermeld in artikel 115bis, en welke over de eigendom gaat hetzij van hout op stam, hetzij van gebouwen, zo bewuste overdracht ten bate van de eigenaar van de grond wordt toegestaan.

Deze bepaling is niet van toepassing zo de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is voor de levering van de goederen die in de overeenkomst begrepen zijn. De heffing van het vast recht is echter ondergeschikt aan de vermelding in de akte of in een erbij gevoegd geschrift, vóór de registratie, van het kantoor, waar de verkoper periodiek de aangiften indient die voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde zijn vereist.