Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Afdeling I : Overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen

7. Afzonderlijke verkrijgingen van de grond en van de opstal

Artikel 74

Wie bij een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel, andere dan een inbreng in vennootschap vermeld in artikel 115bis, de eigendom heeft verkregen, hetzij van hout op stam onder beding van het te vellen, hetzij van gebouwen onder beding van ze te slopen, en nadien onder de levenden de eigendom verkrijgt van de grond vooraleer het hout gans geveld is of de gebouwen volkomen gesloopt zijn, moet uit hoofde van de eerste verkrijging en op de grondslag aangewezen in artikel 45 en volgende, het voor de verkoop van onroerende goederen vastgesteld recht kwijten, met aftrek van het evenredig registratierecht dat eventueel op deze verkrijging werd geheven.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing zo er bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde werd gekweten voor de levering van het hout op stam of van de te slopen gebouwen.

Wetsgeschiedenis artikel 74:

- Vervangen bij art. 3, W 10.07.1969 (B.S., 25.07.1969), met ingang van 01.01.1970 en

- gewijzigd bij art. 42, 1° en 2°, W 30.03.1994  (B.S., 31.03.1994)