law : tax : treaty

Belgische Belastingsverdragen anno 1959


Verdragen met Frankrijk

Verdrag tussen Frankrijk en Belgie in datum van 20 januari 1959 ter vermijding van dubbele belastingheffing.

 

2747.com / law / .. Belgie

contact

Publiek recht

Fiscaal recht

Burgerlijk recht

Vennootschapsrecht

 

Overeenkomst tussen België en Frankrijk, tot voorkoming van dubbele aanslag en tot regeling van sommige andere vraagstukken inzake belastingen op de erfenissen en registratierechten

Ondertekend te Brussel op 20 januari 1959 en goedgekeurd bij W. 20 april 1960 (B.S., 10 juni 1960)

Belastingen op de erfenissen

Art. 1 1. De dubbele aanslag welke deze overeenkomst wil voorkomen is degene die kan voortvloeien, met betrekking tot de nalatenschap van iemand die op het ogenblik van zijn overlijden zijn domicilie in één van beide Staten had, uit de gelijktijdige heffing der Franse en Belgische belastingen op de overgangen door overlijden. 2. De overeenkomst is toepasselijk: a) Wat Frankrijk betreft: op de belasting op de overgang door overlijden met inbegrip van de speciale taxe welke bij artikel 1 der wet nr. 56-639 van 30 juni 1956 gevestigd werd; b) Wat België aangaat: op het recht van successie; op het recht van overgang bij overlijden. 3. Zij zal eveneens van toepassing zijn op alle andere belastingen van gelijke of gelijksoortige aard die na de ondertekening van deze overeenkomst in de ene of de andere van beide Staten zouden gevestigd worden. De bevoegde overheden van elke Staat zullen elkander op het einde van ieder jaar de wijzigingen mededelen die aan hun fiscale wetgeving werden aangebracht.

Art. 2 Deze overeenkomst is van toepassing: a) Wat Frankrijk betreft, op het moederland en op de overzeese departementen (Guadeloupe, Guyana, Martinique en Réunion); b) Wat België aangaat, op het moederland van deze Staat.

Art. 3 Voor de toepassing van deze overeenkomst: a) wordt door het woord “domicilie” bedoeld, de plaats waar de overledene zijn permanente woonstede had, met dien verstande dat zich daar het centrum van de levensbelangen bevond, m.a.w. de plaats waarmede zijn persoonlijke betrekkingen het nauwst waren. Wanneer volgens voorgaande alinea niet kan uitgemaakt worden waar zijn domicilie zich bevond, wordt de overledene geacht zijn domicilie gehad te hebben in diegene van beide Staten waar hij zijn voornaamste verblijf had. Ingeval de duur van het verblijf in beide Staten gelijk was, wordt hij geacht zijn domicilie te hebben geacht in diegene van beide Staten waarvan hij een onderhorige was; indien hij een onderhorige van beide Staten of van geen van beide Staten was, zullen de bevoegde overheden van beide Staten overleg plegen om het laatste domicilie te bepalen. Had de overledene zijn verblijfplaats aan boord van een binnenschip, dan wordt hij geacht zijn domicilie gehad te hebben in diegene van beide contracterende Staten waarvan hij een onderhorige was; b) duidt het woord “belasting”, naar het geval, op de Franse belastingen op de erfenissen en op de in het koninkrijk België gevestigde belastingen van dezelfde aard, zoals ze bij artikel 1 bedoeld worden.

Art. 4 De onroerende goederen worden belast in de Staat waar ze gelegen zijn; de onroerende rechten worden belast in de Staat van de ligging van de onroerende goederen waarop die rechten slaan. De onroerende aard van een goed of van een recht wordt bepaald volgens de wetgeving van de Staat der ligging van het beschouwd goed of van het goed waarop het beoogd recht betrekking heeft. Zijn niet van die aard, alle welkdanige schuldvorderingen tot zekerheid waarvan een hypotheek of een voorrecht op een onroerend goed gevestigd is.

Art. 5 De handelszaken, met inbegrip van het recht op de huurovereenkomst, van het tot de exploitatie bestemde materieel en van de daarbij horende koopwaren, worden belast in de Staat waar de inschrijving in het handelsregister gedaan werd.

Art. 6 De schepen, boten en luchtvaartuigen worden belast in de Staat waar zij ingeschreven zijn.

Art. 7 De andere lichamelijke roerende goederen dan die welke bedoeld zijn in de artikelen 5 en 6, zijn aan de belasting onderworpen in de Staat waar zij zich feitelijk bevinden op de datum van het overlijden. Zijn o.m. begrepen onder de lichamelijke roerende goederen, de bankbiljetten en andere geldspeciën met wettelijke koers op de plaats van hun uitgifte.

Art. 8 De andere dan de in artikelen 4 tot 7 bedoelde goederen worden belast in de Staat waar de overledene zijn domicilie had op het ogenblik van zijn overlijden.

Art. 9 1. De schulden die speciaal gewaarborgd zijn door de in artikelen 4 tot 7 beoogde goederen, komen in mindering van de waarde van deze goederen. 2. De andere schulden komen in mindering van de waarde der goederen waarop de bepalingen van artikel 8 toepasselijk zijn. 3. Indien er na de aftrekking, zoals voorzien in beide voorgaande paragrafen, een niet gedekt saldo overblijft, dan wordt dit saldo afgetrokken van de waarde van de andere goederen die aan belasting onderworpen zijn in de Staat waarin de aftrekking eerst geschiedt. Zo er in deze Staat geen andere aan belasting onderworpen goederen voorhanden zijn of indien er na de aftrekking nog een niet gedekt saldo overblijft, wordt dit saldo afgetrokken van de waarde der in de andere Staat aan belasting onderworpen goederen.

Art. 10 Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen die voorafgaan: a) behoudt iedere Staat het recht om op de door hem te belasten goederen de belasting te berekenen volgens het gemiddeld tarief dat zou toepasselijk zijn, moest dienaangaande rekening gehouden worden met al de goederen die krachtens zijn interne wetgeving aan belasting zouden onderworpen zijn; b) mag de Staat, waar de overledene zijn domicilie had bij zijn overlijden, eveneens belasting heffen, in overeenstemming met zijn interne wetgeving, op de in de andere Staat gelegen goederen die in artikelen 4 tot 7 vermeld zijn. In dit geval wordt de belasting van eerstgenoemde Staat, in de mate waarin ze bedoelde goederen treft, verminderd met het bedrag van de belasting welke in de andere Staat uit hoofde van diezelfde goederen geheven wordt.

Art. 11 Er wordt geen de minste afbreuk gedaan aan de belasting-vrijstellingen die krachtens de algemene regels van het Volkenrecht verleend worden of voortaan mochten verleend worden aan diplomatieke of consulaire agenten. In de mate waarin deze vrijstellingen de belastingsheffing uitsluiten in de Staat waar dergelijke agenten hun ambt uitoefenen, wordt het vermogen om de belasting te heffen voorbehouden aan de Staat die hen benoemd heeft.

Art. 12 De onderhorigen van één van beide Staten zijn in de andere Staat aan geen andere of hogere belastingen onderworpen dan die welke op de onderhorigen van laatstgenoemde Staat toepasselijk zijn. In 't bijzonder genieten de onderhorigen van één van beide Staten, die belastbaar zijn in de andere Staat, onder dezelfde voorwaarden als de onderhorigen van deze laatste Staat, de vrijstellingen, abattementen en verminderingen van belasting die wegens familietoestand verleend worden.

Art. 13 1. De vrijstellingen en verminderingen van belasting die door de wetgeving van één van beide Staten voorzien zijn ten behoeve van de Staat, de departementen, de provincies en de gemeenten, zijn toepasselijk op de rechtspersonen van dezelfde aard van de andere Staat. De rechtspersonen van één van beide Staten genieten in de andere Staat de vrijstellingen of verminderingen van belasting welke voorzien zijn ten behoeve van de rechtspersonen van dezelfde aard van laatstbedoelde Staat. De aard van de rechtspersonen wordt bepaald volgens de wetgeving van de Staat die de belasting heft. 2. De bepalingen van voorgaande twee alinea's zijn ook toepasselijk op de registratierechten die gevestigd zijn op de overgangen onder levenden te kosteloze titel.

Art. 14 1. De fiscale overheden van beide Staten delen elkander alle inlichtingen mede waarover zij beschikken of welke zij kunnen bekomen en die nodig zullen zijn om de toepassing der bepalingen van deze overeenkomst te verzekeren. 2. De op 12 augustus 1843 te Rijsel ondertekende overeenkomst, met betrekking tot het uitwisselen van inlichtingen geput uit de geregistreerde akten, uit de aangiften van nalatenschap of van overgang bij overlijden en uit andere administratieve documenten, zal voort volkomen uitwerking hebben. De bevoegde overheden van beide Staten zullen beraadslagen om die overeenkomst naar behoren aan te passen, met inachtneming van de inlichtingen die in het kader van de wetgeving van iedere Staat kunnen bekomen worden. 3. Alle aldus uitgewisselde inlichtingen moeten geheim gehouden worden; buiten de schatplichtige of zijn mandataris, mag geen enkele andere persoon dan degenen die zich bezig houden met het vestigen en het invorderen der belastingen alsmede met de bezwaarschriften en verhalen dienaangaande, kennis krijgen van bedoelde inlichtingen.

Art. 15 1. De bevoegde overheden van iedere Staat verlenen de door de overheden van de andere Staat aangezochte medewerking en bijstand voor het invorderen, wat de hoofdsom, interesten, kosten en boeten betreft, van de in artikel 1 van deze overeenkomst beoogde belastingen, die in deze andere Staat volgens zijn wetgeving eisbaar zijn. 2. De bevoegde overheden van de aangezochte Staat gaan tot invordering over volgens de regels die in deze Staat gelden voor de invordering van de gelijkaardige belastingen. De in te vorderen fiscale schuldvorderingen worden in de aangezochte Staat niet beschouwd als bevoorrechte schuldvorderingen. 3. De vervolgingen en maatregelen tot tenuitvoerlegging geschieden op overlegging van een officieel afschrift van de uitvoerbare titels en, in voorkomend geval, van de in kracht van gewijsde gegane beslissingen. 4. Wat de nog voor verhaal vatbare fiscale schuldvorderingen betreft, kan de Staat-schuldeiser, ter vrijwaring van zijn rechten, de andere Staat verzoeken een dwangschrift of een heffingstitel aan de schuldenaar te betekenen. De bezwaren betreffende de gegrondheid van de vorderingen waarvoor de betekening gebeurd is, mogen slechts aanhangig gemaakt worden bij de bevoegde rechtsmacht van de verzoekende Staat.

Registratierechten op de akten van vennootschappen

Art. 16 De hierna volgende bepalingen vervangen diegene met hetzelfde voorwerp (art. 14 en slotprotocol, II) van de op 16 mei 1931 ondertekende overeenkomst tussen België en Frankrijk met het doel dubbele belasting te vermijden en zekere andere fiscale aangelegenheden te regelen.

Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 17 1. De bevoegde overheden van beide Staten zullen rechtstreeks overleg plegen om de moeilijkheden op te lossen in verband met de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst. 2. Al wie in strijd met de bepalingen van deze overeenkomst aan een dubbele aanslag zou onderworpen worden, zal, onverminderd de uitoefening van zijn rechten overeenkomstig de in iedere Staat van kracht zijnde wetgeving, bezwaar mogen indienen bij de bevoegde overheid van één van beide Staten. Indien het bezwaar gegrond wordt bevonden, zullen de bevoegde overheden van beide Staten zich met elkander verstaan om dubbele aanslag te verhelpen. Zo nodig zal de moeilijkheid voorgelegd worden aan een gemengde commissie samengesteld uit vertegenwoordigers van beide Staten daartoe aangesteld door de bevoegde overheden. Er zal geen bezwaar, zoals dit voorzien is in onderhavige paragraaf, meer ontvankelijk zijn na het verstrijken van een termijn van één jaar met ingang van de datum waarop de tweede belasting gekweten werd.

Art. 18 Door de “bevoegde overheiden”, worden bedoeld in elkeen van beide Staten de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde.

Inwerkingtreding

Art. 19 1. Deze overeenkomst zal bekrachtigd worden en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk te Parijs uitgewisseld worden. 2. Zij zal in werking treden op de tiende dag na de datum van uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden. 3. Zij zal in voege blijven zolang zij niet zal opgezegd worden door één van beide Staten. Elke Staat zal haar kunnen opzeggen tegen het einde van een kalenderjaar, met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden. In dit geval zullen de bepalingen van deze overeenkomst voor de laatste maal van toepassing zijn op de nalatenschappen die openvallen vóór het verstrijken van het kalenderjaar tegen het einde waarvan de opzegging genotifieerd wordt.

(De uitwisseling over bekrachtigingsoorkonden had op 2 juni 1960, te Parijs, plaats.)