Besluit van de Vlaamse regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen
    
    Hoofdstuk I Definities
    Hoofdstuk II Bevoegdheden
    Hoofdstuk III De inventaris
    Hoofdstuk IV De inkohiering, de inning en de invordering
    Hoofdstuk V De administratieve geldboete
    Hoofdstuk VI Beroepschriften
    Hoofdstuk VII Schorsing en vrijstelling van de heffing
    Hoofdstuk VIII Administratieve onkostenvergoeding
    Hoofdstuk VIIIbis Overgangsbepalingen
    Hoofdstuk IX Slotbepalingen
    Bijlage 1 Heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting – Technisch verslag inzake verwaarlozing
    Bijlage 2 Technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen
    Bijlage 2bis Technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen
    Bijlage 3 Model van administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing (artikel 32 en 33 van het programmadecreet van 22 december 1995)
    Bijlage 4 Inventaris verkrotting en leegstand
    Bijlage V Technisch verslag van het onderzoek naar de leegstand van een woning

 

   
Resultatenlijst


02/04/1996 | Besluit van de Vlaamse regering betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen
   (B.S., 1 mei 1996)


Verwijzingen
   Zie ook het K.B. 6 december 1993 betreffende het opeisingsrecht van verlaten gebouwen, bedoeld in art. 134bis van de nieuwe gemeentewet (B.S., 30 december 1993).

Uitvoeringsbesluiten
    – Besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers
    – Ministerieel besluit van 24 december 2004 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen houdende de modellen van registratieattesten en tot opheffing van het ministerieel besluit van 14 september 2004 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen houdende de modellen van registratieattesten

   Gelet op het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, inzonderheid hoofdstuk VIII, afdeling 2;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 30 januari 1996;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid, gegeven op 6 februari 1996;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   (...)


Hoofdstuk I. Definities

Art. 1
   Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
    1° decreet: afdeling 2 van hoofdstuk VIII van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996;
    2° houder van het zakelijk recht: persoon of personen met een recht van volle eigendom, een recht van opstal of van erfpacht, of een recht van vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw en/of woning;
    3° inventaris: de inventaris van leegstaande gebouwen en/of woningen, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen en verwaarloosde gebouwen en/of woningen, bedoeld in artikel 28 van het decreet;
    4° [kamer: woning waarin één of meer van de volgende voorzieningen ontbreken:
    – WC,
    – bad of douche,
    – kookgelegenheid,

en waarvan de bewoners voor deze voorzieningen afhankelijk zijn van de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;]
    [5° agentschap: het agentschap Wonen-Vlaanderen van het Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed.]


Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Enig lid:
    – 4° opgeheven bij art. 1 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 juli 1997 (art. 8) en opnieuw opgenomen bij art. 16 B.Vl. Reg. 23 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 september 1998 (art. 19);
    – 5° ingevoegd bij art. 58 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).

Voorgeschiedenis
   Enig lid, 5° ingevoegd bij art. 45 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), met ingang van een door de Vlaamse regering te bepalen datum (art. 152), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).

[Art. 1bis
   Dit besluit is niet van toepassing op de gemeente die door de Vlaamse minister, bevoegd voor de Huisvesting, gemachtigd wordt om zelf een heffingsstelsel in te voeren overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van het decreet.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).


Hoofdstuk II. Bevoegdheden

Art. 2

§ 1.
   Onverminderd de bepalingen van § 2, [wordt het agentschap] belast met het beheer van de inventaris.

§ 2.
   Wanneer een gemeente daartoe een schriftelijk verzoek indient, belast de Vlaamse minister bevoegd voor de huisvesting bij ministerieel besluit de [...] administratieve eenheid die door de gemeente wordt aangewezen, met het beheer van de inventaris. Dit gebeurt na de ondertekening van een overeenkomst die de modaliteiten van het beheer van de inventaris regelt.

§ 3.
   De ambtenaren [die door de leidend ambtenaar van het agentschap] worden aangewezen, oefenen de bevoegdheden, die verbonden zijn aan het beheer van de inventaris uit op het grondgebied van alle gemeenten van het Vlaamse gewest, met inbegrip van de in § 2 bedoelde gemeenten.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   § 1 gewijzigd bij art. 59, 1° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   § 2 gewijzigd bij art. 2 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).
   § 3 gewijzigd bij art. 59, 2° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   § 1 gewijzigd bij art. 46, 1° B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).
   § 3 gewijzigd bij art. 46, 2° B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).

Art. 3

§ 1.
   Onverminderd de bepalingen van de §§ 3 en 4, zijn de ambtenaren van de [Vlaamse Belastingdienst] belast met de inning en invordering van de heffing, de gemeentelijke opcentiemen, de administratieve geldboetes, de nalatigheidsinteresten, de innings- en vervolgingskosten.

§ 2.
   De bijzondere kohieren worden uitvoerbaar verklaard door [de daartoe gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst]. De uitvoerbaarverklaring geldt zowel voor de heffing als voor de opcentiemen ten behoeve van de gemeenten.

§ 3.
   Wanneer de gemeente daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend, machtigt de Vlaamse minister bevoegd voor de financiën de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger om de heffing en de gemeentelijke opcentiemen te innen na de ondertekening van een overeenkomst waarin de modaliteiten van de inning worden geregeld.

§ 4.
   De met de inning belaste ambtenaren, bedoeld in § 1, zijn bevoegd om bij wanbetaling de verschuldigde heffing, de opcentiemen en de nalatigheidsinteresten in te vorderen via een dwangbevel.
   De dwangbevelen worden uitvoerbaar verklaard door [de daartoe gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst].

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   § 1 gewijzigd bij art. 60, 1° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   §§ 2 en 4 gewijzigd bij art. 60, 2° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   § 1 gewijzigd bij art. 47 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en bij art. 15, 1° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   §§ 2 en 4 gewijzigd bij art. 15, 2° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).


Hoofdstuk III. De inventaris


Afdeling 1. De mededelingsplicht

Art. 4

§ 1.
   Vóór het einde van het derde kwartaal van 1996 en vervolgens voor het einde van het eerste kwartaal van elk jaar bezorgt het college van burgemeester en schepenen aan [het agentschap], een recente lijst van de gebouwen en/of woningen op het grondgebied van de gemeente, die volgens het college leegstaan of verwaarloosd zijn. Op de lijst worden de volgende gegevens vermeld:
    1° het adres van het gebouw en/of de woning;
    2° de identificatiegegevens van de houder van het zakelijk recht;
    3° de kadastrale gegevens;
    4° het bedrag van het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen;
    5° de toestand van leegstand en/of verwaarlozing van het gebouw en/of de woning en de vermoedelijke duur van deze toestand.

   Het college van burgemeester en schepenen deelt de indicaties van leegstand mee, waartoe behoren:
    1° het ontbreken van een inschrijving in de [bevolkingsregisters]op het betreffende adres;
    2° het ontbreken van een aanmelding als tweede verblijfplaats;
    3° het ontbreken van aansluitingen op de nutsvoorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas;
    4° een abnormaal lage verbruik van de nutsvoorzieningen;
    5° de vermindering van het kadastraal inkomen op basis van artikel 15 van het Wetboek van Inkomstenbelasting;
    6° de registratie van de leegstand van de woning en/of het gebouw in een gemeentelijke inventaris krachtens een gemeentelijk reglement of op basis van [artikel 134bis] van de Nieuwe Gemeentewet;
    7° de langdurige tekoopstelling van het gebouw en/of de woning;
    8° de langdurige periode waarin het gebouw en/of de woning te huur wordt aangeboden;
    9° andere aanwijzigingen die duiden op leegstand.

   Terzelfder tijd wordt meegedeeld:
    1° of het gebouw en/of de woning ligt binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan;
    2° of een dergelijk onteigeningsplan wordt voorbereid;
    3° of het gebouw en/of de woning beschermd of voorlopig beschermd zijn als monument dan wel als stads- en dorpsgezicht.

§ 2.
   De burgemeester die een woning bij besluit ongeschikt of onbewoonbaar heeft verklaard sinds de inwerkingtreding van het decreet, stuurt onmiddellijk een eensluidend verklaard afschrift van dit besluit aan [het agentschap]. De besluiten van de burgemeester die dateren van voor de inwerkingtreding van het decreet worden slechts meegedeeld als de toestand waarin de woning zich bevond op het ogenblik van de [onbewoonbaarverklaring], is bestendigd.

§ 3.
   Als een gemeentelijke administratieve eenheid belast is met het beheer van de inventaris, voldoet ze aan de mededelingsplicht door het verzenden van een eensluidend verklaard afschrift van de inventarisformulieren, zoals bedoeld in artikel 9 van dit besluit.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   § 1:
    – lid 1, inleidende bepaling gewijzigd bij art. 61, 1° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178);
    – lid 2, 1° en 6° gewijzigd bij art. 2 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 mei 1996 (art. 8).

   § 2 gewijzigd bij art. 2 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 mei 1996 (art. 8) en bij art. 61, 2° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   § 1, lid 1 gewijzigd bij art. 48 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).
   § 2 gewijzigd bij art. 50 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).


Afdeling 2. [De Beoordeling van de Leegstand, de verwaarlozing en de ongeschiktheid] Vorige versie(s)


Wetshistoriek
   Opschrift vervangen bij art. 3 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).

Art. 5
   De gebreken en tekenen van verval, bedoeld in artikel 29 van het decreet, worden beoordeeld aan de hand van het model van technisch verslag opgenomen als bijlage I van dit besluit.
   Een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, vertoont ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval als het volgens dit verslag een eindscore behaalt van minstens 18 punten, waarbij een gebrek of teken van verval van categorie I geldt voor 1 punt, van categorie II voor 3 punten en van categorie III voor 9 punten.
    [De onderzoekend ambtenaar voegt een fotoreportage toe aan het dossier van de vaststellingen die hij ter plaatse gedaan heeft.]
    [...]
    [...]
    [Het verslag vermeldt de naam van de bevoegde ambtenaar die het verslag heeft opgesteld en het adres van [het agentschap] of de gemeentelijke administratieve eenheid waartoe hij behoort.]
    [...]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 4, 1° tot 3° B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15) en bij art. 62 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 51 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).

[Art. 5bis

§ 1.
   De leegstand van gebouwen, bedoeld in artikel 30, § 1, van het decreet, wordt vastgesteld aan de hand van een beschrijvend verslag, waarin uiteengezet wordt op basis waarvan de onderzoekend ambtenaar heeft vastgesteld dat het gebouw voor meer dan 50 procent leegstaat.

§ 2.
   De leegstand van woningen, bedoeld in artikel 30, § 2, van het decreet, wordt beoordeeld aan de hand van het model van technisch verslag, opgenomen als bijlage V bij dit besluit.
   Een woning staat leeg, indien tegelijk aan de volgende drie voorwaarden voldaan is:
    1° de woning haalt volgens het technisch verslag, genoemd in § 2, een eindscore van minstens 18 punten, waarbij een aanduiding van categorie I geldt voor 3 punten, van categorie II voor 6 punten en van categorie III voor 9 punten;
    2° er is minstens een aanduiding van categorie III;
    3° er is geen aanduiding van categorie 0.

§ 3.
   Beide verslagen vermelden de naam van de bevoegde ambtenaar die het verslag heeft opgesteld en het adres van [het agentschap] of de gemeentelijke administratieve eenheid waartoe hij behoort.
   Zowel bij het onderzoek van gebouwen als van woningen, voegt de onderzoekend ambtenaar een fotoreportage toe aan het beschrijvend of technisch verslag, van de vaststellingen die hij ter plaatse gedaan heeft.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Art. ingevoegd bij art. 5 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).
   § 3 gewijzigd bij art. 63 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).

Art. 6

§ 1.
   De gewestelijke ambtenaar, bedoeld in artikel 24, 3° van het decreet, is de ambtenaar die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 2, § 3 van dit besluit. Hij beoordeelt of de woning voldoet aan de vereisten van [stabiliteit, bouwfysica, veiligheid en minimaal comfort] aan de hand van het model van technisch verslag opgenomen als bijlage II bij dit besluit. [Kamers beoordeelt hij aan de hand van het model van technisch verslag opgenomen als bijlage IIbis bij dit besluit.]
    [De gewestelijk ambtenaar stelt in zijn advies, zoals bedoeld in artikel 34 van het decreet, aan de burgemeester voor de woning ongeschikt te verklaren als de woning volgens het technisch verslag een eindscore van minstens 18 punten behaalt, waarbij een gebrek van categorie I geldt voor 1 punt, van categorie II voor 3 punten, van categorie III voor 9 punten en van categorie IV voor 15 punten.]
    [Als de woning een kamer is, stelt de gewestelijk ambtenaar in zijn advies, zoals bedoeld in artikel 34 van het decreet, aan de burgemeester voor de kamer ongeschikt te verklaren als de kamer volgens het betreffende technisch verslag een eindscore van minstens 15 punten behaalt, waarbij een gebrek van categorie I geldt voor 1 punt, van categorie II voor 3 punten, van categorie III voor 9 punten en van categorie IV voor 15 punten.]

§ 2.
   De inventarisatie als verwaarloosde woning is niet vereist om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren.


Wetshistoriek
   § 1 gewijzigd bij art. 3 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 mei 1996 (art. 8), bij art. 17 B.Vl. Reg. 23 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 september 1998 (art. 19) en bij art. 42 B.Vl. Reg. 6 oktober 1998 (B.S., 30 oktober 1998), met ingang van 1 november 1998 (art. 45).
Toekomstig recht
   Artikel 6 wordt gewijzigd bij art. 13 en 14 B. Vl. Reg. 27 januari 2006 (B.S., 14 juli 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 1 februari 2008 (art. 16).

Art. 6

§ 1.
    [De gewestelijke ambtenaar, bedoeld in artikel 24, 3° van het decreet, is de ambtenaar die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 2, § 3 van dit besluit. Hij beoordeelt of de woning voldoet aan de vereisten van stabiliteit, bouwfysica, veiligheid en minimaal comfort aan de hand van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 oktober 1998 betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen.
   Kamers beoordeelt hij aan de hand van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2003 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers.]
    [...]

§ 2.
   De inventarisatie als verwaarloosde woning is niet vereist om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren.



[Art. 6bis
   De minister kan zelf het besluit om de woning ongeschikt te verklaren, bedoeld in artikel 34 van het decreet, nemen.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 43 B.Vl. Reg. 6 oktober 1998 (B.S., 30 oktober 1998), met ingang van 7 oktober 1998 (art. 45).


Afdeling 3. De administratieve akte, het model van inventaris en de coördinatie van de inventaris

Art. 7
   De vaststelling van de verwaarlozing en/of de leegstand van een gebouw en/of woning gebeurt aan de hand van een administratieve akte, waarvan het model opgenomen is als bijlage III bij dit besluit.
   De administratieve akte wordt[, samen met het technisch of beschrijvend verslag van de verwaarlozing en/of leegstand] betekend bij aangetekend schrijven, dat geadresseerd wordt aan de woonplaats of, indien de woonplaats niet bekend is, aan de verblijfplaats van de houder van het zakelijk recht. Als de verblijfplaats niet bekend is, vindt de betekening plaats aan het adres van het gebouw en/of de woning waarop de administratieve akte betrekking heeft.
   De administratieve akte vermeldt de naam van de bevoegde ambtenaar die de akte heeft opgesteld, het adres van [het agentschap] of de gemeentelijke administratieve overheid waartoe hij behoort en de datum en de plaats van de kennisgeving ervan.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 6 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15) en bij art. 64 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 51 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).

Art. 8

§ 1.
   De inventarisatie wordt opgemaakt op modelformulieren opgenomen als bijlage IV van dit besluit.
   De lijst van de verwaarloosde gebouwen en/of woningen bevat alle formulieren die betrekking hebben op de verwaarloosde gebouwen en/of woningen, ongeacht of ze op een andere lijst voorkomen.
   De lijst van de leegstaande gebouwen en/of woningen bevat alle formulieren die betrekking hebben op leegstaande gebouwen en/of woningen, ongeacht of ze op een andere lijst voorkomen.
   De lijst van de ongeschikte of onbewoonbare woningen bevat alle formulieren die betrekking hebben op de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woningen, ongeacht of ze op een andere lijst voorkomen.

§ 2.
   De inventaris kan worden opgenomen in een geautomatiseerd bestand, dat wordt aangemaakt door middel van een programma dat door de Vlaamse minister bevoegd voor de huisvesting werd goedgekeurd.


Art. 9
    [De administratieve eenheden, vermeld in artikel 2, § 2, sturen maandelijks een afschrift van de aangevulde of aangepaste formulieren, vermeld in artikel 8, § 1, of van het geautomatiseerde bestand, vermeld in artikel 8, § 2, naar het agentschap.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 65 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   Vervangen bij art. 4 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 mei 1996 (art. 8), bij art. 50 en 52 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en gewijzigd bij art. 2 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).

[Art. 9bis
   Het bezwaar tegen de administratieve akte, vermeld in artikel 32 en 33 van het decreet, wordt met een aangetekende brief ingediend bij [het agentschap]. In dit bezwaarschrift haalt de houder van het zakelijk recht alle nodige bewijzen en argumenten aan ter staving van het bezwaar. Tevens vermeldt hij in het bezwaarschrift of hij gehoord wenst te worden.
   Indien [het agentschap] het bezwaar onontvankelijk verklaart, brengt ze de houder van het zakelijk recht schriftelijk op de hoogte van haar motieven.
   Indien [het agentschap] het bezwaarschrift ontvankelijk verklaart, brengt ze de houder van het zakelijk recht hiervan eveneens op de hoogte. Indien de houder van het zakelijk recht gevraagd heeft om gehoord te worden, vermeldt de ontvankelijkverklaring ook op welke datum de houder van het zakelijk recht gehoord kan worden.
    [Het agentschap] neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift. Bij ontstentenis van een beslissing binnen die termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
   Ingeval het bezwaar wordt ingewilligd of als [het agentschap] geen beslissing heeft genomen, wordt het pand van de inventarislijst geschrapt [...].]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 7 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15), gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 8 juli 2005 (B.S., 15 juli 2005 (eerste uitg.)), met ingang van 15 juli 2005 (art. 4) en bij art. 66 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).

[Art. 9ter

§ 1.
   Het registratieattest, bedoeld in artikel 34bis, § 2, van het decreet, bevat minimaal de volgende gegevens:
    1° de identificatiegegevens van het gebouw of de woning, met inbegrip van de laatst bekende kadastrale gegevens, en de identificatiegegevens van de houder(s) van het zakelijk recht;
    2° de datum van de administratieve akte;
    3° de datum van de inventarisatie;
    4° de gronden van inventarisatie;
    5° de verdere gevolgen van de inventarisatie;
    6° de beroepsmogelijkheden.

   De Vlaamse minister, bevoegd voor de Huisvesting, kan een model van registratieattest opmaken.
   De registratieattesten worden met een aangetekende brief betekend aan de houders van het zakelijk recht zoals bekend bij de [Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen] op de datum van de inventarisatie.

§ 2.
   Bij leegstand en verwaarlozing gebeurt de betekening aan de hand van het registratieattest, bedoeld in artikel 34bis, § 2, van het decreet, binnen dertig dagen na de inventarisatie of in voorkomend geval dertig dagen na de volledige afhandeling van de bezwaarprocedure tegen de administratieve akte, bedoeld in artikelen 32 en 33 van het decreet.

§ 3.
    [...]

§ 4.
   Bij overdracht van een zakelijk recht als bedoeld in artikel 27, § 1, van het decreet bevat het formulier, bedoeld in artikel 27, § 3, van het decreet, de gegevens van het registratieattest en de identificatiegegevens van de verkrijger van het zakelijk recht, met inbegrip van ofwel het nummer in de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO) of het BTW-nummer voor de rechtspersonen en het nummer in het Rijksregister voor natuurlijke personen. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën, kan een modelformulier opmaken.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Art. ingevoegd bij art. 8 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).
   § 1 gewijzigd bij art. 4 B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.)), met ingang van 1 juli 2006 (art. 25).
   § 3 opgeheven bij art. 2 B. Vl. Reg. 8 juli 2005 (B.S., 15 juli 2005 (eerste uitg.)), met ingang van 5_augustus 2004 (art. 4).

Uitvoeringsbesluiten
    – Ministerieel besluit van 24 december 2004 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen houdende de modellen van registratieattesten en tot opheffing van het ministerieel besluit van 14 september 2004 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen houdende de modellen van registratieattesten
    – Ministerieel besluit van 11 oktober 2006 tot vaststelling van het formulier voor kennisgeving van de overdracht van het zakelijk recht, bepaald bij artikel 27 , § 3, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996



Hoofdstuk IV. De inkohiering, de inning en de invordering

Art. 10

§ 1.
   De heffing wordt opgenomen in bijzondere kohieren. De bijzondere kohieren worden door de [Vlaamse Belastingdienst ] op door haar bepaalde tijdstippen opgemaakt op basis van de gegevens die haar ter beschikking zijn gesteld door [het agentschap].
   De geautomatiseerde bestanden van de bijzondere kohieren hebben dezelfde bewijskracht als de originelen indien deze bestanden door de [Vlaamse Belastingdienst ] of onder haar controle zijn aangemaakt.
    [In het laatste kwartaal, dat voorafgaat aan de verjaardag van de inventarisatie, stuurt de inventarisbeheerder een brief aan de houder van het zakelijk recht waarin hij wijst op de volgende feiten:
    1° het feit dat het pand in kwestie nog steeds geïnventariseerd is;
    2° de gevolgen van de verjaardag van de inventarisatie
    3° de mogelijkheid tot schrapping, vermeld in artikel 35 van het decreet.]

§ 2.
   De gemeente die beslist op de heffing opcentiemen te heffen, bezorgt aan de [Vlaamse Belastingdienst ] bij aangetekend schrijven een afschrift van het besluit van de gemeenteraad binnen de maand die volgt op de inwerkingtreding ervan.
   Bij toepassing van artikel 3, § 3, bezorgt de gemeente tegelijk met de verzending van het afschrift aan de [Vlaamse Belastingdienst ] alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de inning door de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger, in het bijzonder de gegevens die op het aanslagbiljet dienen te worden vermeld.
   Wanneer het besluit van de gemeenteraad wordt geschorst, stuurt de provinciegouverneur zonder verwijl een afschrift van het schorsingsbesluit aan de [Vlaamse Belastingdienst ]. Wanneer de gemeenteraad het besluit intrekt, geeft hij daarvan onmiddellijk kennis aan [die dienst].

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   § 1 gewijzigd bij art. 9 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15) en bij art. 67, 1° en 2° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   § 2 gewijzigd bij art. 67, 2° en 3° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   § 1 gewijzigd bij art. 53 en 54 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11), bij art. 15, 3° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   § 2 gewijzigd bij art. 53 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en bij art. 15, 3° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).

Art. 11
   Nadat de bijzondere kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, stuurt de[Vlaamse Belastingdienst] een aanslagbiljet aan de betrokken belastingplichtige.
    [In afwijking van het eerste lid, wordt in het geval van artikel 26, derde lid, van het decreet, de aanslag niet verzonden naar de houder van het zakelijk recht, voor de lopende beroepsprocedures van artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en artikel 34 en 34bis van het decreet afgehandeld zijn.]
   Bij toepassing van artikel 3, § 3 van dit besluit stuurt de [Vlaamse Belastingdienst], gelijktijdig met de verzending van de aanslagbiljetten naar de belastingplichtige, het bijzonder kohier met betrekking tot de heffingen op de gebouwen en/of woningen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden, aan de gemeenteontvanger of gewestelijke ontvanger.
   Het aanslagbiljet vermeldt het ontvangkantoor voor de betaling van de heffing. De [Vlaamse Belastingdienst] treedt op als centraal ontvangkantoor voor de betaling van de heffing. Bij toepassing van artikel 3, § 3 van dit besluit wordt de heffing betaald bij de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger.
   De gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger is verplicht de bedragen die hij int, met inachtneming van artikel 12 § 3, door te storten op de rekening van het Vlaamse Gewest vóór het einde van de maand die volgt op de maand van de inning, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen en de vergoedingen, bedoeld in artikel 19 van dit besluit.
   Het centrale ontvangkantoor stort de door haar geïnde en ingevorderde opcentiemen, verhoogd met de vergoedingen bepaald overeenkomstig artikel 19 van dit besluit, door op de rekening van de betreffende gemeente, met inachtneming van artikel 12, § 3 van dit besluit, voor het einde van de maand die volgt op de maand van inning.
   Bij te late doorstorting is op het door te storten bedrag een interest van 1 % verschuldigd voor elke begonnen maand die volgt op voormelde termijn. De Vlaamse regering kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, het tarief aanpassen.
   De gemeenteontvanger of gewestelijke ontvanger is gehouden vóór 30 juni van het jaar volgend op het jaar van de inkohiering aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, § 2, rekening te geven van de uitvoering van zijn volmacht en hem verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht geïnd heeft. De ambtenaar, bedoeld in artikel 3, § 2 ontheft de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger van zijn opdracht met betrekking tot de betreffende kohieren.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 10 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15) en bij art. 68 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 53 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en bij art. 15, 3° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).

Art. 12

§ 1.
    [De aanslag, de nalatigheidsintresten en de administratieve geldboete worden in elk stadium van de berekening in euro en/of eurocent vastgesteld.]

§ 2.
   De invorderingskosten komen ten laste van de belastingplichtige. De kosten van invordering zijn de vervolgingskosten gemaakt met toepassing van artikel 40, §§ 2 en 3 van het decreet.

§ 3.
   De betalingen van een belastingplichtige worden in de navolgende volgorde aangerekend:
    1° de kosten van invordering;
    2° de nalatigheidsinteresten, bedoeld in artikel 39, § 1 van het decreet;
    3° de administratieve geldboetes;
    4° de verschuldigde heffing en de gemeentelijke opcentiemen.


Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   § 1 vervangen bij art. 4, 1° B. Vl. Reg. 13 december 2002 (B.S., 10 februari 2003 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 6).


Hoofdstuk V. De administratieve geldboete

Art. 13
   De ambtenaren van [de Vlaamse Belastingdienst] zijn gemachtigd om, op eigen initiatief of op verzoek van [het agentschap], de administratieve geldboete, bedoeld in artikel 40, § 1 van het decreet, op te leggen, deze boete te innen en in te vorderen.
   De beslissing wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan de belastingplichtige die de heffing heeft ontdoken. De administratieve geldboete is definitief verschuldigd als de beslissing niet wordt weerlegd binnen drie maanden na de verzendingsdatum van de beslissing.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 69 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 54 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en bij art. 15, 4° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).


Hoofdstuk VI. Beroepschriften

Art. 14

§ 1.
    [De gemotiveerde verzoekschriften, vermeld in artikel 39, § 2, van het decreet, worden ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst. De Vlaamse Belastingdienst kan zich bij de behandeling van de verzoekschriften laten bijstaan door het agentschap.]

§ 2.
   Wanneer de belastingplichtige beroep heeft ingesteld tegen de aanslag overeenkomstig artikel 39, § 2 van het decreet, kan het dwangbevel niet eerder worden uitgevaardigd dan na het verstrijken van de betalingstermijn, bedoeld in artikel 39, § 1, eerste lid, in fine van het decreet.
    [De ambtenaar die belast is met de behandeling van het verzoekschrift] stelt de ambtenaren belast met de inning en, eventueel, de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger onmiddellijk in kennis van het feit dat de belastingplichtige een gemotiveerd verzoekschrift heeft ingediend en van het voorwerp van het verzoekschrift.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   § 1 vervangen bij art. 70, 1° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   § 2 gewijzigd bij art. 70, 2° B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   § 1 gewijzigd bij art. 54 en 55 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en bij art. 15, 5° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   § 2 gewijzigd bij art. 15, 6° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).


Hoofdstuk VII. Schorsing en vrijstelling van de heffing

Art. 15
   De houder van een zakelijk recht die meent in aanmerking te komen voor de vrijstelling bedoeld in artikel 41 van het decreet, dient een verklaring op erewoord over te leggen dat hij op het vermelde adres is ingeschreven en daar zijn hoofdverblijf heeft en dat hij over geen andere woning beschikt.
   Deze verklaring kan worden overgelegd tot uiterlijk het einde van de beroepstermijn bedoeld in artikel 39, § 2 van het decreet. Ze geldt totdat ze wordt herroepen door de houder van het zakelijk recht. De houder van het zakelijk recht moet zijn verklaring herroepen zodra hij niet langer voldoet aan de voorwaarden om vrijstelling te krijgen.
   Zolang de houder van het zakelijk recht geen aanslagbiljet heeft ontvangen dient de verklaring te worden overgelegd aan [het agentschap] of, in voorkomend geval, aan de [...] administratieve eenheid, bedoeld in artikel 2, § 2 van dit besluit. Na de ontvangst van het aanslagbiljet dient de verklaring te worden overgelegd aan de [Vlaamse Belastingdienst].
   Een onvolledige of onjuiste verklaring en een te late herroeping wordt beschouwd als een ontduiking van de heffing.

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Gewijzigd bij art. 2 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15) en bij art. 71 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
Voorgeschiedenis
   Gewijzigd bij art. 51 en 53 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11) en bij art. 15, 3° B. Vl. Reg. 11 juni 2004 (B.S., 27 juli 2004), met ingang van 1 juli 2006 (art. 1, § 2, 2° B. Vl. Reg. 23 juni 2006 (B.S., 30 juni 2006 (derde uitg.))), zelf ingetrokken bij art. 157 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).

Art. 16

[§ 1.
   Een ramp als bedoeld in artikel 42, § 2, 3°, van het decreet, is elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan het gebouw en/of de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van het gebouw en/of de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.

§ 2.
   De commissie, bedoeld in artikel 42, § 3, van het decreet, wordt samengesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de Huisvesting en de Vlaamse minister, bevoegd voor de Financiën, gezamenlijk. Ze behandelt de verzoeken tot vrijstelling waarin elementen van overmacht worden ingeroepen die niet gevat zijn onder de vrijstellingen van artikel 42, § 1 en § 2.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 11 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).

Uitvoeringsbesluiten
    – Wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet


Art. 17
    [...]


Wetshistoriek
   Opgeheven bij art. 5 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 juli 1997 (art. 8).

Art. 18
   De schorsing van de heffing belet de inkohiering van de heffing niet. De verjaringstermijn voor de inning en de invordering van de heffing wordt geschorst voor de duur van de schorsing van de heffing.



Hoofdstuk VIII. Administratieve onkostenvergoeding

Art. 19
   De gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze ter uitvoering van het decreet maken:
    1° een éénmalige vergoeding van 15 % van de opbrengst van de eerste heffing met betrekking tot de onroerende goederen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen, met een maximum van [125 euro] per belaste woning en/of gebouw, [voor elk gebouw en/of woning waarvan de gemeente de correcte gegevens en indicaties, bedoeld in artikel 4 van dit besluit, heeft meegedeeld aan [het agentschap];]
    2° vanaf de eerste heffing, 6 % van de jaarlijkse opbrengst van de heffing met betrekking tot de onroerende goederen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen voor het beheer van de inventaris, inclusief de opsporings- en vaststellingskosten op voorwaarde dat de gebouwen en/of woningen werden gesignaleerd overeenkomstig artikel 4 van dit besluit.
De gemeentelijke opcentiemen, de nalatigheidsinteresten en de administratieve geldboeten worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de opbrengst van de heffing.
De onkostenvergoeding wordt verrekend op de geïnde en ingevorderde heffingen. Bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen wordt het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoeding;

    [De vergoedingen, bedoeld in 1° en 2° van het vorige lid, worden toegekend ongeacht het tijdstip waarop de gegevens werden meegedeeld, op voorwaarde dat de heffing voor het jaar waarop de gegevens betrekking hebben tijdig kon worden opgenomen in het kohier.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Lid 1, 1° gewijzigd bij art. 6, 1° B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 mei 1996 (art. 8), bij art. 4, 2° B. Vl. Reg. 13 december 2002 (B.S., 10 februari 2003 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 6) en bij art. 72 B. Vl. Reg. 30 juni 2006 (B.S., 22 augustus 2006), met ingang van 1 juli 2006 (art. 178).
   Lid 2 ingevoegd bij art. 6, 2° B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 mei 1996 (art. 8).
Voorgeschiedenis
   Lid 1, 1° gewijzigd bij art. 49 B. Vl. Reg. 4 juni 2004 (B.S., 17 augustus 2004), nooit in werking getreden, zelf ingetrokken bij art. 10 B. Vl. Reg. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006), met ingang van 11 januari 2006 (art. 11).


[Hoofdstuk VIIIbis. Overgangsbepalingen]

Wetshistoriek
   Hoofdstuk VIIIbis (art. 19bis en 19ter) ingevoegd bij art. 12 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).

[Art. 19bis
   Voor alle gebouwen en/of woningen die geïnventariseerd zijn voor de datum van de inwerkingtreding van het decreet van [7 mei] 2004 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, inzonderheid op hoofdstuk VIII, afdeling 2, wordt aan de houder van het zakelijk recht een registratieattest betekend binnen [18 maanden] na de inwerkingtreding van dit decreet, waarbij de inventarisatiedatum bepaald wordt op datum van het registratieattest.]

Vorige versie(s)

Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 12 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).
   Gewijzigd bij art. 3 B. Vl. Reg. 8 juli 2005 (B.S., 15 juli 2005 (eerste uitg.)), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 4).

Uitvoeringsbesluiten
    – Ministerieel besluit van 24 december 2004 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen houdende de modellen van registratieattesten en tot opheffing van het ministerieel besluit van 14 september 2004 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen houdende de modellen van registratieattesten


[Art. 19ter

§ 1.
   Het centraal ontvangkantoor wordt belast met de terugbetaling van de al geïnde heffingen die betrekking hebben op de opnames in de inventaris en op de verjaardagen van de opname in de inventaris, bedoeld in artikel 44bis van het decreet.

§ 2.
   Het centraal ontvangkantoor brengt de betrokken belastingplichtigen voor het einde van de tweede maand die volgt op de inwerkingtreding van dit besluit per aangetekende brief op de hoogte van de terugbetaling op het rekeningnummer van de opdrachtgever, van de betaling en van het bedrag dat zal terugbetaald worden.

§ 3.
   De terugbetaling wordt uitgevoerd tegen het einde van de tweede maand die volgt op de datum van de brief, bedoeld in § 2, behalve als de betrokken belastingplichtige binnen een maand na de verzending van de aangetekende brief, in een aangetekende brief een ander rekeningnummer opgeeft waarop de betaling moet worden uitgevoerd. In dat geval moet worden terugbetaald voor het einde van de tweede maand volgend op de ontvangst van de brief van de belastingplichtige.]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 12 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).


Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Art. 20
   Wanneer een gemeente voor de inwerkingtreding van dit besluit heeft beslist opcentiemen te heffen op de heffing, wordt de termijn waarbinnen een afschrift van het betreffende besluit van de gemeenteraad dient te worden verstuurd, bedoeld in artikel 10, § 2, eerste lid, verlengd tot het einde van de maand die volgt op de inwerkingtreding van dit besluit.


Art. 21
   Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.


Art. 22
   De Vlaamse minister bevoegd voor de huisvesting en de Vlaamse minister bevoegd voor de financiën zijn ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 1 [Heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting – Technisch verslag inzake verwaarlozing]
Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 7 B. Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 juli 1997 (art. 8).


  
  
  
  
  
  


Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 7 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 juli 1997 (art. 8).
Bijlage 2 [Technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen]
Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 44 B.Vl. Reg. 6 oktober 1998 (B.S., 30 oktober 1998), met ingang van 1 november 1998 (art. 45).
Toekomstig recht
   Bijlage 2 wordt opgeheven bij art. 15 B. Vl. Reg. 27 januari 2006 (B.S., 14 juli 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 1 februari 2008 (art. 16).
Bijlage 2 [...]

[...]




    [ ]


Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 44 B.Vl. Reg. 6 oktober 1998 (B.S., 30 oktober 1998), met ingang van 1 november 1998 (art. 45).
Bijlage 2bis [Technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen]]
Wetshistoriek
   Bijlage 2bis ingevoegd bij art. 18 B.Vl. Reg. 23 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 september 1998 (art. 19) en vervangen bij art. 17 B. Vl. Reg. 3 oktober 2003 (B.S., 10 december 2003, err., B.S., 26 februari 2004), met ingang van 10 december 2003 (art. 19).
Toekomstig recht
   Bijlage 2bis wordt opgeheven bij art. 15 B. Vl. Reg. 27 januari 2006 (B.S., 14 juli 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 1 februari 2008 (art. 16).
Bijlage 2bis [...] ]

[...]




    [ ]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 18 B.Vl. Reg. 23 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 september 1998 (art. 19) en vervangen bij art. 17 B. Vl. Reg. 3 oktober 2003 (B.S., 10 december 2003, err., B.S., 26 februari 2004), met ingang van 10 december 2003 (art. 19).
Bijlage 3 [Model van administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing (artikel 32 en 33 van het programmadecreet van 22 december 1995)]
Wetshistoriek
   Bijlage III vervangen bij art. 13 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).
Voorgeschiedenis
   Vervangen bij art. 7 B.Vl. Reg. 15 juli 1997 (B.S., 10 januari 1998), met ingang van 1 juli 1997 (art. 8).

Art.
    [
    ]


Wetshistoriek
   Vervangen bij art. 13 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).
Bijlage 4 Inventaris verkrotting en leegstand

  


   Inventaris verkrotting en leegstand

   Gemeente...

   Datum van inschrijving     
   Vrijstelling/schorsing     
   Datum schrapping

   1e                   

   2e                   

   3e                   

   4e                   

   5e                   

   Ligging gebouw/woning     
   kadastrale ligging...

   adres...

    ... 

    ... 

   Eigenaar(s) of houder(s) zakelijk recht (op datum van inschrijving)

    ... 

   Nieuwe eigenaar(s) en datum van overdracht van het zakelijk recht

   datum...     
   eigenaar(s)...

   datum...     
   eigenaar(s)...

   ? Verwaarlozing

   ? Leegstand

   ? Ongeschiktheid of onbewoonbaarheid

   datum besluit burgemeester...

   datum besluit Vlaamse regering...

   K.I. (geïndexeerd volgens index op datum van inschrijving)

    ... 

   Nummer administratief dossier

    ... 


Bijlage V Technisch verslag van het onderzoek naar de leegstand van een woning]
Wetshistoriek
   Bijlage V ingevoegd bij art. 14 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).

Art.
    [
    ]


Wetshistoriek
   Ingevoegd bij art. 14 B. Vl. Reg. 14 juli 2004 (B.S., 5 augustus 2004), met ingang van 5 augustus 2004 (art. 15).