Wetboek successierechten: Hoofdstuk VIII : Verevening van de rechten

Afdeling I : Algemene regelen

Artikel 66 anno 2007:

Wanneer een erfgenaam, legataris of begiftigde het vruchtgebruik of de blote eigendom verkrijgt van een goed waarvan de volle eigendom van de erfenis afhangt, of wanneer hij een door de overledene gevestigde periodieke rente of pensioen ontvangt, wordt de belastbare grondslag overeenkomstig de bij artikelen 21, 22 en 23 voorgeschreven regelen bepaald.

Wanneer de door de overledene gevestigde rente of prestatie voor een onbepaalde tijd op het hoofd van een rechtspersoon wordt aangelegd, bedraagt de belastbare grondslag twintig maal het jaarlijks bedrag.

Is die rente of prestatie voor een bepaalde tijd gevestigd, zo is de belastbare grondslag de som welke de kapitalisatie op de datum van het overlijden ad 4 % van de jaarlijkse rente of prestatie vertegenwoordigt, zonder dat deze som twintig maal de rente of prestatie mag te boven gaan.

Dezelfde regelen zijn van toepassing zo het gaat om een op het hoofd van een rechtspersoon gevestigd vruchtgebruik, met dien verstande dat als grondslag van raming de jaarlijkse opbrengst van de goederen dient genomen zoals in artikel 21, nummer VI, is gezegd.

Zo de lijfrente of levenslange prestatie of zo het vruchtgebruik ten bate van twee of meer natuurlijke personen achtereenvolgens of gezamenlijk met beding van aanwas is gevestigd, wordt de belastbare grondslag, voor de heffing van het op het ogenblik van de gebeurtenis vorderbaar recht, volgens de leeftijd van de genieter bij deze gebeurtenis bepaald.