Titel II. - Schenkingen onder de levenden en testamenten - 

Hoofdstuk V. Beschikkingen bij testament

Afdeling VI. - Bijzondere legaten.

Art. 1014. Ieder zuiver en onvoorwaardelijk legaat verleent aan de legataris, van de dag van het overlijden van de erflater, een recht op de vermaakte zaak, welk recht op zijn erfgenaam of rechtverkrijgenden overgaat.
  Nochtans kan de bijzondere legataris geen bezit nemen van de vermaakte zaak, noch aanspraak maken op de vruchten of interesten daarvan, dan van de dag waarop hij de vordering tot afgifte heeft gedaan, overeenkomstig de in artikel 1011 bepaalde volgorde, of van de dag waarop de afgifte hem vrijwillig is toegestaan.

Art. 1015. De interesten of vruchten van de vermaakte zaak lopen ten voordele van de legataris, te rekenen van de dag van het overlijden, en zonder dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld :
  1° Wanneer de erflater zijn wil daartoe in het testament uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven;
  2° Wanneer een lijfrente of een pensioen is vermaakt als levensonderhoud.

  Art. 1016. De kosten van de vordering tot afgifte komen ten laste van de nalatenschap, doch zonder dat daaruit een vermindering van het wettelijk voorbehouden erfdeel kan volgen.
  De registratierechten zijn door de legataris verschuldigd.
  Een en ander, indien het testament daaromtrent niet anders heeft beschikt.

  Art. 1017. De erfgenamen van de erflater of andere schuldenaars van een legaat, zijn persoonlijk gehouden tot het uitkeren daarvan, ieder naar evenredigheid van het aandeel dat hij uit de nalatenschap geniet.
  Zij zijn hypothecair voor het geheel gehouden, ten belope van de waarde der onroerende goederen van de nalatenschap waarvan zij houder zijn.

  Art. 1018. De vermaakte zaak wordt geleverd met het noodzakelijk toebehoren, en in de staat waarin zij zich op de dag van het overlijden van de schenker bevindt.

  Art. 1019. Wanneer hij die de eigendom van een onroerend goed vermaakt heeft, dit goed naderhand door enige verkrijging vergroot, wordt het verkregene, ook al paalt het aan het goed, niet geacht, zonder een nieuwe beschikking, van het legaat deel uit te maken.
  Het voorafgaande vindt geen toepassing op verfraaiingen, of op nieuwe bouwwerken die op het vermaakte erf worden aangebracht, of op een omheind erf waarvan de erflater de omheining vergroot.

  Art. 1020. Indien, voor het testament of daarna, op het vermaakte goed een hypotheek is gevestigd voor een schuld van de nalatenschap, of zelfs voor de schuld van een derde, of indien het goed met een vruchtgebruik is bezwaard, is hij die het legaat moet uitkeren, niet verplicht het goed vrij te maken, tenzij hij door een uitdrukkelijke beschikking van de erflater hiermee belast is.

  Art. 1021. Wanneer de erflater eens anders zaak vermaakt heeft, is het legaat nietig, onverschillig of de erflater al dan niet geweten heeft dat de zaak hem niet toebehoorde.

  Art. 1022. Wanneer het legaat in een niet bepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven, doch hij mag evenmin de slechtste aanbieden.

  Art. 1023. Een legaat aan een schuldeiser wordt niet geacht gemaakt te zijn tot voldoening van zijn schuldvordering, noch een legaat aan een dienstbode tot betaling van zijn loon.

  Art. 1024. De legataris onder bijzondere titel is niet gehouden tot betaling van de schulden der nalatenschap, behoudens de inkorting van het legaat, zoals hiervoren bepaald is, en behoudens de vordering van de hypothecaire schuldeisers.
(Hierboven wordt de wettekst anno 2006 weergegeven. Wetsgeschiedenis)