Vlaams Decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging
B.S., 10 februari 2004 (tweede uitg.). Gecoordineerde versie anno 2006:

Hoofdstuk I. Begraafplaatsen

Afdeling I. Gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen en crematoria
Art. 1 : Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.


Art. 2 :  Iedere gemeente moet over ten minste één begraafplaats beschikken. Meerdere gemeenten kunnen zich evenwel verenigen om over een gemeenschappelijke begraafplaats te beschikken.
   Enkel een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband kan een crematorium oprichten en beheren.
   Iedere begraafplaats en ieder intergemeentelijk crematorium moeten over een urnenveld, een strooiweide en een columbarium beschikken.
   In afwijking van het voorgaande lid, kan evenwel tussen de gemeente die een begraafplaats beheert en het intergemeentelijke samenwerkingsverband dat een aangrenzend intergemeentelijk crematorium beheert een overeenkomst worden afgesloten waarin bepaald wordt dat het urnenveld, de strooiweide en het columbarium van de gemeentelijke begraafplaats ter beschikking van het aangrenzende intergemeentelijke crematorium wordt gesteld.
   Behoudens het verlenen van een concessie, is de begraving van een stoffelijk overschot of de begraving van een asurn of de bijzetting ervan in een columbarium op de gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaats kosteloos voor de personen die ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister van de gemeente, respectievelijk de gemeenten die deel uitmaken van het intergemeentelijke samenwerkingsverband. Dit geldt eveneens voor de uitstrooiing van de as.

Verwerping van beroep
   Het Hof verwerpt het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van art. 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 januari 2004 (   Arbitragehof nr. 132/2005, 19 juli 2005 (B.S., 8 augustus 2005)).


Art. 3  De Vlaamse regering bepaalt de criteria voor de oprichting en het beheer van de begraafplaatsen en de crematoria. Ze organiseert de controle op de naleving van deze criteria.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria



Art. 4  Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria vallen onder het gezag, de politie en het toezicht van de gemeenteoverheden, die ervoor zorgen dat er geen wanorde heerst, dat er geen handelingen in strijd met de eerbied voor de doden worden verricht en dat het ontgraven enkel kan met toestemming.
   De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake opgravingen.
   Op de intergemeentelijke begraafplaatsen en in de intergemeentelijke crematoria worden de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden uitgeoefend door de overheid van de gemeente waar de begraafplaats of het crematorium ligt.

Verwerping van beroep
   Het Hof verwerpt het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van art. 4 van het Decreet van het Vlaamse Gewest van 16 januari 2004 (   Arbitragehof nr. 132/2005, 19 juli 2005 (B.S., 8 augustus 2005)).

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria

Art. 5
§ 1.  Wanneer nieuwe voor begraving bestemde ruimten aangelegd zijn, bepaalt de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband de datum waarop niet meer begraven wordt op de oude begraafplaatsen. Een afschrift van deze beslissing wordt tot de definitieve ontruiming van de begraafplaats aan de ingang ervan uitgehangen.
   De oude begraafplaatsen worden in de staat gelaten waarin ze zich bevinden. Gedurende ten minste tien jaar mag er geen gebruik van worden gemaakt.
   Na verloop van de in het voorgaande lid bepaalde tijd of ten minste tien jaar na de laatste begraving, waarbij de inschrijving in het begrafenisregister als bewijs geldt, kan de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband beslissen een andere bestemming te geven aan de oude begraafplaatsen.

§ 2. Met toepassing van § 1 wordt een perceel van dezelfde grootte als het geconcedeerde op de nieuwe begraafplaats voorbehouden als enige belanghebbende daartoe een aanvraag indient.
   De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband bepaalt de voorwaarden inzake overbrenging, zonder dat deze voorwaarden kunnen inhouden dat de belanghebbenden de overbrenging van de stoffelijke resten moeten vergoeden.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria

Afdeling II. Concessies


Art. 6
   De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband kan op de gemeentelijke, respectievelijk intergemeentelijke begraafplaatsen grafconcessies of concessies voor columbaria verlenen.
   Wanneer het gaat om een gemeentelijke begraafplaats kan de gemeenteraad die bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen opdragen.
   Eenzelfde concessie kan dienen voor de aanvrager, zijn echtgenoot, zijn bloed- of aanverwanten evenals voor allen daartoe aangewezen door de concessiehouder en die daartoe bij de gemeentelijke overheid hun wil te kennen hebben gegeven. Wanneer iemand overlijdt terwijl hij op dat ogenblik een feitelijk gezin vormde, kan de overlevende een concessie aanvragen.
   Een concessieaanvraag mag worden ingediend ten behoeve van een derde en van diens familie.


Art. 7
§ 1.   De concessies worden voor ten hoogste vijftig jaar verleend.

§ 2.  Op aanvraag worden opeenvolgende hernieuwingen toegestaan voor de bepaalde tijd verstreken is.
   De hernieuwingen kunnen enkel geweigerd worden indien blijkt dat op het moment van de aanvraag de concessie verwaarloosd is.
   Minstens een jaar voor het verstrijken van de concessie of van de hernieuwingen ervan, maakt de burgemeester of zijn gemachtigde of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband een akte op waarbij eraan herinnerd wordt dat een aanvraag om hernieuwing bij hem moet toekomen.
   Een afschrift van deze akte wordt een jaar lang zowel bij het graf als aan de ingang van de begraafplaats uitgehangen.
   Als er geen aanvraag voor een hernieuwing is gedaan, vervalt de concessie.

§ 3. Indien erom verzocht wordt voor het verstrijken van de vastgestelde termijn, neemt een nieuwe termijn een aanvang vanaf elke nieuwe bijzetting in de concessie. Als er geen hernieuwing wordt aangevraagd tussen de datum van de laatste bijzetting in de concessie en het verstrijken van de periode waarvoor deze werd verleend, blijft het graf bestaan gedurende een termijn van tien jaar die begint te lopen op de datum van het overlijden, indien dit overlijden zich minder dan tien jaar voor het verstrijken van de concessie heeft voorgedaan.


Art. 8 De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband stelt het verschuldigde bedrag en de voorwaarden voor het verlenen van de concessie vast.
   In de gevallen bedoeld in artikel 7, § 2, eerste lid, en § 3, wordt het verschuldigde bedrag, dat door de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband gevorderd kan worden, proportioneel berekend op het aantal jaren dat de vervaldatum van de vorige concessie overschrijdt.


Art. 9 Telkens na vijftig jaar, en zonder vergoeding, kan de altijddurende concessie die krachtens het keizerlijk decreet van 23 prairial jaar XII werd verleend voor de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, op aanvraag hernieuwd worden.
   Voor deze hernieuwing is de procedure bedoeld in artikel 7, § 2, derde tot en met vijfde lid, van dit decreet van toepassing.


Art. 10  De geconcedeerde graven moeten onderhouden worden.
   Onderhoudsverzuim dat verwaarlozing uitmaakt, staat vast als het graf doorlopend onzindelijk, door plantengroei overwoekerd, vervallen, ingestort of bouwvallig is.
   De verwaarlozing wordt geconstateerd in een akte van de burgemeester of zijn gemachtigde of van het bevoegde orgaan van de intergemeentelijke begraafplaats. Die akte wordt een jaar lang bij het graf en aan de ingang van de begraafplaats uitgehangen.
   Na het verstrijken van die termijn en bij niet-herstelling kan de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband een einde maken aan de concessie. De gemeenteraad kan die bevoegdheid opdragen aan het college van burgemeester en schepenen.


Hoofdstuk II. Lijkbezorging 

Afdeling I. Kisting en vervoer van lijken

  Art. 11  De stoffelijke overschotten moeten in een doodskist of ander lijkomhulsel geplaatst worden.
   Het gebruik van doodskisten, foedralen, doodswaden, producten en procédés die de natuurlijke en normale ontbinding van het lijk of de crematie beletten, is verboden.
   Een balseming of enige andere conserverende behandeling, voorafgaandelijk aan de kisting, kan in de door de Vlaamse regering bepaalde gevallen toegestaan worden.
   De Vlaamse regering omschrijft de in het tweede lid bedoelde voorwerpen en procédés, alsook de voorwaarden waaraan een doodskist of ander lijkomhulsel moet beantwoorden.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria
    – besluit van de vlaamse regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden



Art. 12  De burgemeester of zijn gemachtigde mag de kisting bijwonen.


Art. 13  Het toezicht op lijkstoeten berust bij de gemeenteoverheid, die ervoor zorgt dat ze ordelijk, welvoeglijk en met de aan de doden verschuldigde eerbied verlopen.
   Niet-gecremeerde stoffelijke overschotten moeten individueel met een lijkwagen of op een passende wijze worden vervoerd.
   De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden onder dewelke hiervan kan worden afgeweken.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria



Art. 14  Er wordt in een behoorlijke wijze voorzien in de lijkbezorging van behoeftigen, onverminderd de toepassing van artikel 15, § 1. De daaruit voortvloeiende kosten zijn ten laste van de gemeente van het Vlaamse Gewest waar zij in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister zijn ingeschreven.


Art. 15
§ 1.  De manieren van lijkbezorging zijn: begraven, verstrooien of bewaren van de as na crematie, of op de wijze en volgens de nadere regels bepaald door de Vlaamse regering.
   Elkeen kan tijdens zijn leven vrijwillig een schriftelijke kennisgeving van zijn laatste wilsbeschikking overmaken aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn gemeente. Die laatste wilsbeschikking kan handelen over de wijze van lijkbezorging, de asbestemming, evenals over het ritueel van de levensbeschouwing voor de uitvaartplechtigheid.
   Deze laatste wilsbeschikking wordt gelijkgesteld met de aanvraag tot toestemming tot crematie als bedoeld in artikel 20, § 1, of met de akte, bedoeld in artikel 20, § 2.
   Indien het overlijden in een andere gemeente van het Vlaamse Gewest dan die van de hoofdverblijfplaats heeft plaatsgehad, moet de gemeente van de hoofdverblijfplaats zonder verwijl op aanvraag van de gemeente waarin het overlijden heeft plaatsgehad, informatie betreffende de in het tweede lid bedoelde laatste wilsbeschikking overzenden.

§ 2. Levenloos geboren kinderen die de wettelijke levensvatbaarheidgrens nog niet hebben bereikt, worden na een zwangerschapsduur van ten volle 12 weken op verzoek van de ouders begraven of gecremeerd. De Vlaamse regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot het begraven en cremeren van levenloos geboren kinderen.

    – besluit van de vlaamse regering van 24 februari 2006 tot vaststelling van de wijzen van lijkbezorging, de asbestemming en de rituelen van de levensbeschouwing voor de uitvaartplechtigheid die kunnen opgenomen worden in de schriftelijke kennisgeving van de laatste wilsbeschikking die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kan overgemaakt worden

Afdeling II. Begraving


Art. 16

§ 1.  Alleen op gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen mag worden begraven.

§ 2. Op particuliere begraafplaatsen die bestonden op het tijdstip waarop dit decreet in werking treedt, mag echter verder worden begraven.
   Voor particuliere begraafplaatsen gelden de artikelen 4 en 17 van dit decreet.

§ 3.  Afwijkingen van het bepaalde in § 1 kunnen worden toegestaan door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, op voorstel van de burgemeester van de gemeente waar de begraving zal plaatshebben.
   De minister mag de afwijking slechts toestaan op een op godsdienstige of filosofische overwegingen berustend verzoek, behalve als redenen van hygiëne en volksgezondheid dat niet toelaten.


Art. 17
§ 1.  De begraving kan plaatshebben in volle grond, in een grafkelder of bovengronds. In afwijking van artikel 2, vijfde lid, kan de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband een vergoeding tegen kostprijs voor de grafkelder vragen.

§ 2.  De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels volgens dewelke de begravingen in volle grond, in een grafkelder of bovengronds moeten gebeuren.
   De rouwenden zijn gerechtigd bij het gehele verloop van de begrafenis aanwezig te zijn.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria



Art. 18 Een niet-geconcedeerd graf wordt minstens tien jaar bewaard.
   Dergelijk graf mag enkel verwijderd worden nadat gedurende een jaar een afschrift van de beslissing tot verwijdering, zowel bij het graf als aan de ingang van de begraafplaats, werd uitgehangen.
   Onverminderd de naleving van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging overeenkomstig artikel 15, beslist de gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband welke bestemming gegeven moet worden aan resten die aangetroffen worden binnen de omheining van de begraafplaats.

Afdeling III. Crematie

Art. 19

§ 1. Voor crematie is een toestemming vereist die wordt verleend door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar, het overlijden werd vastgesteld, indien dat overlijden in het Vlaamse Gewest heeft plaatsgehad, of door de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt, indien het overlijden heeft plaatsgehad in het buitenland.
   Voor de crematie van een persoon die overleden het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest wordt met de toestemming tot crematie gelijkgesteld de machtiging die daartoe wordt verleend door de overheid die in dat gewest bevoegd is voor het verlenen van een toestemming tot crematie.

§ 2. Voor crematie na opgraving is de door artikel 4 bedoelde toestemming tot opgraving vereist.
   Na het verlenen van de toestemming tot opgraving wordt de aanvraag voor toestemming tot crematie doorgestuurd aan de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar het crematorium of de hoofdverblijfplaats van de aanvrager is gevestigd, van de plaats van overlijden of van de plaats waar het stoffelijke overschot begraven is.
   Bij deze aanvraag voor toestemming dient in voorkomend geval een attest van registratie in de bevolkingsregisters van de laatste wilsbeschikking van de overledene inzake de wijze van lijkbezorging gevoegd te worden.
   De procureur des Konings aan wie de aanvraag gericht is, kan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het overlijden vastgesteld werd, vragen hem een dossier dat het in artikel 77 of in artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde attest bevat, over te zenden. Indien dit attest ontbreekt, wordt daarvan door de betrokken ambtenaar de reden opgegeven.
   De toestemming tot crematie wordt geweigerd of toegestaan door de procureur des Konings aan wie de aanvraag tot crematie gericht is.

   (§ 1 vervangen bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 10 november 2005 (B.S., 15 december 2005).


Art. 20

§ 1. Iedere aanvraag tot toestemming wordt ondertekend door degene die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien of door zijn gemachtigde.

§ 2. De toestemming moet door de ambtenaar van de burgerlijke stand of door de procureur des Konings geweigerd worden als de overledene in een akte, die voldoet aan de voorwaarden inzake bekwaamheid en gesteld is in de vorm van de akten van uiterste wil, zijn voorkeur voor een andere wijze van lijkbezorging te kennen heeft gegeven, of als hij kennis heeft gekregen van het verzoek bedoeld in § 4 van dit artikel.

§ 3.  Onverminderd het bepaalde in § 2 van artikel 21, mag de toestemming niet verleend worden voor het verstrijken van een termijn van vierentwintig uur, die ingaat met de ontvangst van de aanvraag tot toestemming.

§ 4. Iedere persoon die bij het verlenen of de weigering van de toestemming belang heeft, kan daartoe bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een verzoek indienen.
   De bevoegde voorzitter is die van de plaats waar de aanvraag om toestemming werd ingediend. Van het verzoek wordt kennis gegeven aan de partijen, die bij het verlenen of de weigering van de toestemming belang hebben, alsmede aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of aan de procureur des Konings, bij wie de aanvraag tot toestemming werd ingediend.
   Het verzoek wordt behandeld en beoordeeld als in kort geding, het openbaar ministerie gehoord.


Art. 21

§ 1. Bij de aanvraag tot toestemming moet een attest worden gevoegd waarin de behandelende geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld, vermeldt of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak.
   Als de aanvraag het lijk van een in een gemeente van het Vlaamse Gewest overleden persoon betreft, en de in het bovenstaande lid bedoelde geneesheer heeft bevestigd dat het om een natuurlijk overlijden gaat, dan moet bovendien het verslag worden bijgevoegd van een beëdigd geneesheer die door de ambtenaar van de burgerlijke stand is aangesteld om de doodsoorzaken na te gaan. In dat verslag wordt vermeld of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak.
   Het ereloon en alle daaraan verbonden kosten van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangestelde geneesheer vallen ten laste van het gemeentebestuur van de gemeente van het Vlaamse Gewest waar de overledene in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister is ingeschreven.

§ 2.  De ambtenaar van de burgerlijke stand moet het dossier aan de procureur des Konings van het arrondissement zenden wanneer omstandigheden het vermoeden van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden wettigen of wanneer de geneesheer in een van de onder § 1 voorgeschreven documenten, niet heeft kunnen bevestigen dat er geen tekens of aanwijzingen van een gewelddadige of niet vast te stellen oorzaak van overlijden zijn.
   In dat geval kan toestemming tot crematie eerst worden verleend nadat de procureur des Konings aan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft laten weten dat hij er zich niet tegen verzet.


Art. 22
   De procureur des Konings handelt zoals voorgeschreven is in artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek.
   De persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien, kan de lijkschouwing steeds doen bijwonen door een geneesheer van haar of zijn keuze.


Art. 23
   De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels volgens dewelke de crematie verloopt.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria



Art. 24

§ 1. De as van gecremeerde lijken kan in urnen worden geplaatst die op de begraafplaats worden begraven of in een columbarium worden bijgezet.
   De as van gecremeerde lijken kan op een van de volgende plaatsen worden uitgestrooid:
    1° op een daartoe bestemd perceel van de begraafplaats;
    2° op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee onder de voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt.

   De as van de overledene wordt met respect en eerbied behandeld en kan geen voorwerp uitmaken van een commerciële activiteit, met uitzondering van die activiteiten die verband houden met het uitstrooien of begraven van de as of met het overbrengen ervan naar de plaats waar de as bewaard zal worden.
   Indien de overledene dit schriftelijk heeft bepaald of, bij gebrek aan schriftelijke bepaling door de overledene, op gezamenlijk schriftelijk verzoek, vooraleer de crematie plaatsvindt, van zowel de echtgenoot of van diegene met wie de overledene een feitelijk gezin vormde als van alle bloed- of aanverwanten van de eerste graad of, indien het om een minderjarige gaat, op verzoek van de ouders of voogd, kan de as van gecremeerde lijken:
    1° worden uitgestrooid op een andere plaats dan de begraafplaats. Deze uitstrooiing kan evenwel niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats bedoeld in het eerste lid en het tweede lid. Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist;
    2° worden begraven op een andere plaats dan de begraafplaats. Deze begraving kan evenwel niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats bedoeld in het eerste en het tweede lid. Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist;
    3° in een urne ter beschikking worden gesteld van de nabestaanden om te worden bewaard op een andere plaats dan de begraafplaats. Indien er een einde komt aan de bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats, wordt de as door toedoen van de nabestaande die er de zorg voor heeft of zijn erfgenamen in geval van diens overlijden, ofwel naar een begraafplaats gebracht om er begraven, in een columbarium bijgezet of uitgestrooid te worden ofwel op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee uitgestrooid te worden.

   De persoon die de as in ontvangst neemt, is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepalingen.
   De Vlaamse regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de in het vierde lid bedoelde bewaringen, begravingen of uitstrooiingen moeten voldoen.

§ 2. Onverminderd hetgeen is bepaald in § 1 kan, op verzoek van de echtgenoot en van de bloed- of aanverwanten in eerste graad, een gedeelte van de as van het gecremeerde lijk aan hen worden meegegeven.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria

Afdeling IV. Graftekens   


Art. 25 Tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten, heeft eenieder het recht op het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te doen plaatsen zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder.
   De gemeenteraad of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband regelt de uitoefening van dat recht en inzonderheid alles wat betrekking heeft op de afmetingen van de graftekens en de aard van de te gebruiken materialen.


Art. 26
§ 1. Wanneer aan een grafconcessie een einde wordt gemaakt of geen aanvraag tot overbrenging als bedoeld in artikel 5, § 2, is ingediend, worden de niet weggenomen graftekens en de eventueel nog bestaande ondergrondse bouwwerken eigendom van de gemeente of van het intergemeentelijke samenwerkingsverband.
   Wanneer niet-geconcedeerde gronden voor nieuwe begravingen moeten worden gebruikt, wordt in de beslissing, bedoeld in artikel 18, tweede lid, tevens kennis gegeven van de termijn waarbinnen zij graftekens mogen wegnemen. Bij het verstrijken van die termijn, of van de toegestane verlenging ervan, worden de materialen eigendom van de gemeente of van het intergemeentelijke samenwerkingsverband.
   De in het vorige lid bedoelde termijn wordt bepaald of verlengd door het college van burgemeester en schepenen of het bevoegde orgaan van het intergemeentelijke samenwerkingsverband die de begraafplaats beheert.

§ 2.  Alleen het college van burgemeester en schepenen regelt de bestemming van het aan de gemeente toevallende materiaal. Het college van burgemeester en schepenen maakt hierbij een lijst op van graven met lokaal historisch belang die als kleine onroerende erfgoedelementen kunnen worden beschouwd. De graven op deze lijst dienen 50 jaar te worden bewaard en onderhouden door de gemeente-overheid. Deze termijn kan worden verlengd. Bij ontstentenis van deze lijst kan het initiatief tot de opmaak ervan genomen worden door de Vlaamse regering of haar gemachtigde. Deze lijst wordt bekrachtigd door het college van burgemeester en schepenen. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor de lijsten van graven met lokaal historisch belang.

    – besluit van de vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria




Hoofdstuk III. Slotbepalingen


Art. 27  De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de gebruiken in verband met de bijzetting van leden van het vorstenhuis en in verband met de bijzetting van de hoofden van bisdommen in hun kathedraal, noch aan de bepalingen betreffende de graven van militairen.


Art. 28 Dit decreet doet geen afbreuk aan de toepassing van internationale verdragen.
   De Vlaamse regering kan van de bepalingen van dit decreet afwijken met het oog op de bescherming van de bevolking tegen de gevaren van verspreiding van besmettelijke ziekten of van besmetting door ioniserende stralingen.


Art. 29  Elke overtreding van de bepalingen van dit decreet wordt gestraft met de straffen, gesteld in artikelen 315, 340, 453 en 526 van het Strafwetboek.


Art. 30 De wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging wordt opgeheven, met uitzondering van artikelen 15bis, § 2, tweede lid, 23bis en 32.


Art. 31 Dit decreet treedt in werking op de eerste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Verwijzingen.
   Zitting 2003-2004:
   Stukken:
    – Ontwerp van decreet: 1864, nr. 1.
    – Amendementen: 1864, nrs. 2 tot 5.
    – Verslag over hoorzitting: 1864, nr. 6.
    – Verslag: 1864, nr. 7.
    – Amendementen: 1864, nrs. 8 tot 10.
    – Tekst aangenomen door de plenaire vergadering: 1864, nr. 11.

   Handelingen: Bespreking en aanneming: vergaderingen van 7 januari 2004.