Gehuwd

Art. 915bis

§ 1.
   Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de goederen van de nalatenschap.

§ 2.
   Giften bij akte onder de levenden of bij testament mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad.
   In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik voldoet aan de eis van billijkheid.
   Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge § 1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn.

§ 3.
   De rechten bedoeld in §§ 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater, vóór zijn overlijden, bij een gerechtelijke akte als eiser of als verweerder een afzonderlijk verblijf had gevorderd en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.
   Deze bepaling is niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht.

§ 4.
   Wanneer de langstlevende echtgenoot opkomt samen met erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, wordt zijn voorbehouden erfdeel naar evenredigheid toegerekend op dat van de medeërfgenamen en op het beschikbaar gedeelte.

§ 5.
   Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 1388, tweede lid.