Orgaantransplantatiewet

Wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen.

Hoofdstuk III. Wegneming na overlijden

De wet voorziet dat organen automatisch mogen worden weggenomen bij al wie in het bevolkingsregister of sedert meer dan zes maanden in het vreemdelingenregister is ingeschreven, behalve indien vaststaat dat tegen een dergelijke wegneming verzet is geuit door de overledene.

Ook de nabestaanden van de overledene kunnen verzet uiten tegen het wegnemen van organen, tenzij het de uitdrukkelijke wens was van de overledene dat zijn organen mogen getransplanteerd worden.

In principe wordt het verzet gedaan via een formulier, maar de geneensheer die kennis heeft van het verzet (ook al werd geen formulier ondertekend), mag geen organen transplanteren indien hij op andere wijze kennis heeft van een verzet van de donor of een nabestaande van de donor.

 

2747.com / law / Testamenten

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht

 

Orgaantransplantatiewet

Art. 10. anno 2006:

§ 1. Organen, weefsels en cellen bestemd voor transplantatie, alsmede voor de bereiding, onder de voorwaarden bepaald in artikel 2, van therapeutische bestanddelen, mogen worden weggenomen bij al wie in het bevolkingsregister of sedert meer dan zes maanden in het vreemdelingenregister is ingeschreven, behalve indien vaststaat dat tegen een dergelijke wegneming verzet is geuit.

Voor de personen die hierboven niet bedoeld zijn, is vereist dat zij uitdrukkelijk hebben ingestemd met de wegneming.

§ 2. De persoon die achttien jaar oud is en in staat is om zijn wil te doen kennen, kan het in paragraaf 1 bedoelde verzet alleen uitdrukken.

Indien een persoon minder dan achttien jaar oud is, maar in staat is zijn wil te doen kennen, kan het verzet worden uitgedrukt, ofwel door die persoon, ofwel, zolang hij in leven is, door zijn nabestaanden die met hem samenleven.

Indien een persoon minder dan achttien jaar oud is, en niet in staat is om zijn wil te doen kennen, kan, zolang hij in leven is, het verzet worden uitgedrukt door zijn nabestaanden die met hem samenleven. Indien een persoon wegens zijn geestestoestand niet in staat is zijn wil te doen kennen, dan kan, zolang hij in leven is, verzet worden uitgedrukt door zijn wettelijke vertegenwoordiger, door zijn voorlopige bewindvoerder of bij gebreke daarvan door zijn naaste verwant.

§ 3. De Koning regelt een wijze waarop het verzet door de donor of de personen bedoeld in § 2, tegen de wegneming kan worden uitgedrukt.

Daartoe wordt Hij gemachtigd onder de voorwaarden en op de wijze die Hij bepaalt :

a) op verzoek van de betrokkene het verzet te doen opnemen via de diensten van het Rijksregister;

b) de toegang tot dit gegeven te regelen ten einde de geneesheren die tot wegneming overgaan, op de hoogte te brengen van het uitgedrukt verzet.

§ 4. De geneesheer mag niet tot wegneming overgaan :

1° wanneer verzet is uitgedrukt op de door de Koning geregelde wijze;

2° wanneer door de donor verzet is uitgedrukt op een andere wijze en voor zover aan de geneesheer daarvan kennis is gegeven;

wanneer hem verzet is meegedeeld door een nabestaande. Dit verzet kan niet worden tegengeworpen aan een uitdrukkelijke wilsbeschikking van de donor.

Onder nabestaande wordt verstaan verwanten van de eerste graad alsmede de samenlevende echtgenoot.

 

2747.com / law / Testamenten

contact

Publiekrecht Burgerlijk recht