Erfgenaam

Verdrag betreffende de wetsconflicten inzake de vorm van uiterste wilsbeschikkingen

Opgemaakt in Den Haag op 5 oktober 1961
Goedgekeurd bij Wet van 29 juli 1971
Gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 1971

De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Verlangend gemeenschappelijke regels tot stand te brengen voor de oplossing van wetsconflicten inzake de vorm van uiterste wilsbeschikkingen,
Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en zijn omtrent de volgende bepalingen overeengekomen:
   (...)

Art. 1
   Een uiterste wilsbeschikking is wat de vorm betreft van waarde wanneer ze overeenstemt met de nationale wet:
    a) van de plaats waar de erflater heeft beschikt, of
    b) van een nationaliteit die de erflater bezat op het ogenblik waarop hij de beschikking heeft gemaakt, of op het ogenblik van zijn overlijden, of
    c) van een plaats waar de erflater zijn woonplaats had, hetzij op het ogenblik waarop hij de beschikking heeft gemaakt, hetzij op het ogenblik van zijn overlijden, of
    d) van de plaats waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had, hetzij op het ogenblik waarop hij de beschikking heeft gemaakt, hetzij op het ogenblik van zijn overlijden, of
    e) voor de onroerende goederen, van de plaats waar zij gelegen zijn.

   Voor de toepassing van dit Verdrag, en wanneer de nationale wet bestaat uit een niet-eenvormig stelsel, wordt de wet die van toepassing is, bepaald door de regels die in dat stelsel van kracht zijn en bij ontstentenis van zulke regels, door de meest affectieve band die bestond tussen de erflater en een van de wetgevingen waaruit dat stelsel is samengesteld.
   De vraag of de erflater een woonplaats had op een bepaalde plaats wordt beantwoord overeenkomstig de wet van die plaats.


Art. 2
   Artikel 1 is van toepassing op de uiterste wilsbeschikkingen waarbij een vroegere uiterste wilsbeschikking, wordt herroepen.
   De herroeping is eveneens van waarde wat de vorm betreft wanneer zij overeenstemt met een van de wetten volgens welke overeenkomstig artikel 1 de herroepen uiterste wilsbeschikking van waarde was.


Art. 3
   Dit Verdrag laat de huidige of toekomstige regels van de Verdragsluitende Staten waarbij uiterste wilsbeschikkingen die gemaakt worden in de vorm van een wet die bedoeld is in de voorgaande artikelen, onverlet.


Art. 4
   Dit Verdrag is mede van toepassing op de vormen van uiterste wilsbeschikkingen die door twee of meer personen bij een zelfde akte worden gemaakt.


Art. 5
   Voor de toepassing van dit Verdrag worden de voorschriften waarbij de aangenomen vormen van uiterste wilsbeschikkingen worden beperkt en die verband houden met de leeftijd, de nationaliteit of andere persoonlijke hoedanigheden van de erflater, beschouwd als behorende tot het domein van de vorm. Hetzelfde geldt voor de hoedanigheden die de getuigen die voor de geldigheid van een uiterste wilsbeschikking vereist zijn, moeten bezitten.


Art. 6
   De toepassing van de regels betreffende conflicten, die bij dit Verdrag worden gesteld is onafhankelijk van iedere voorwaarde van wederkerigheid. Het Verdrag vindt toepassing zelfs wanneer de nationaliteit van de betrokkene of de krachtens de voorgaande artikelen toepasselijke wet, niet die zijn van een Verdragsluitende Staat.


Art. 7
   De toepassing van een van de wetten die bij dit Verdrag van toepassing worden verklaard, mag niet worden afgewezen dan wanneer ze kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.


Art. 8
   Dit Verdrag is van toepassing op alle gevallen waarin de erflater overleden is na de inwerkingtreding.


Art. 9
   Iedere Verdragsluitende Staat kan zich, in afwijking van artikel 1, derde lid, het recht voorbehouden de plaats waar de erflater zijn woonplaats had, te bepalen volgens de plaatselijke wet.


Art. 10
   Iedere Verdragsluitende Staat kan zich het recht voorbehouden de uiterste wilsbeschikking niet te erkennen die, buiten uitzonderlijke omstandigheden in mondelinge vorm gemaakt zijn door een van zijn onderdanen die geen enkele andere nationaliteit heeft.


Art. 11
   Iedere Verdragsluitende Staat kan zich het recht voorbehouden, krachtens de voorschriften van zijn wetgeving die daarop betrekking hebben, sommige vormen van uiterste wilsbeschikkingen die in het buitenland zijn gemaakt niet te erkennen, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    a) de uiterste wilsbeschikking is wat de vorm betreft, slechts van waarde volgens een wet die alleen van toepassing is ingevolge de plaats waar de erflater zijn beschikking heeft gemaakt;
    b) de erflater had de nationaliteit van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt;
    c) de erflater had zijn woonplaats in die Staat of had er zijn gewone verblijfplaats en
    d) de erflater is overleden in een andere Staat dan diegene waar hij zijn beschikking heeft gemaakt.

   Dit voorbehoud heeft enkel uitwerking voor de goederen die zich bevinden in de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt.


Art. 12
   Iedere Verdragsluitende Staat kan zich het recht voorbehouden de toepassing van dit Verdrag uit te sluiten voor testamentsbepalingen die volgens zijn recht niet van successorale aard zijn.


Art. 13
   Iedere Verdragsluitende Staat kan zich, in afwijking van artikel 8, het recht voorbehouden dit Verdrag enkel toe te passen op de uiterste wilsbeschikkingen die van latere datum zijn dan de inwerkingstreding van het Verdrag.


Art. 14
   Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Staten die vertegenwoordigd waren op de negende zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.
   Het zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen neergelegd worden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.


Art. 15
   Dit Verdrag treedt in werking de zestigste dag na de neerlegging van de derde akte van bekrachtiging bedoeld in artikel 14, 2e lid.
   Het Verdrag treedt voor iedere ondertekende Staat die het later bekrachtigt in werking, de zestigste dag na de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging.


Art. 16
   Iedere Staat die niet vertegenwoordigd was op de negende zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht kan na de inwerkingstreding tot dit Verdrag toetreden, krachtens artikel 15, 1e lid. De akte van toetreding zal worden neergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
   Het Verdrag treedt voor de toetredende Staat in werking de zestigde dag na de neerlegging van zijn akte van toetreding.


Art. 17
   Iedere Staat kan ten tijde van de ondertekening, de bekrachtiging of de toetreding, verklaren dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op de gebieden die hij internationaal vertegenwoordigt of op een of meer ervan. Die verklaring heeft uitwerking op het ogenblik van de inwerkingstreding van het Verdrag voor de bedoelde Staat.
   Vervolgens moet elke uitbreiding van die aard worden meegedeeld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
   Het Verdrag treedt voor de bij de uitbreiding bedoelde gebieden in werking de zestige dag na de in het voorgaande lid bedoelde mededeling.


Art. 18
   Iedere Staat kan, ten laatste, op het ogenblik van de bekrachtiging of de toetreding, een of meer van de voorbehouden maken als bedoeld in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van dit Verdrag. Geen enkel ander voorbehoud zal worden aanvaard.
   Iedere Verdragsluitende Staat kan ook, bij het meedelen van een uitbreiding van het Verdrag overeenkomstig artikel 17, een of meer van die voorbehouden maken waarvan de uitwerking beperkt is tot de gebieden of tot sommige gebieden bedoeld door de uitbreiding.
   Iedere Verdragsluitende Staat kan te allen tijde een door hem gemaakt voorbehoud intrekken. Die intrekking wordt ter kennis gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
   De uitwerking van het voorbehoud houdt op de zestigste dag na de kennisgeving bedoeld in het voorgaande lid.


Art. 19
   Dit Verdrag heeft een duur van vijf jaar te rekenen van de datum van zijn inwerkingtreding overeenkomstig artikel 15, 1e lid zelfs voor de Staten die het later hebben bekrachtigd of zijn toegetreden.
   Het Verdrag wordt telkens stilzwijgend voor vijf jaar vernieuwd, behoudens opzegging.
   De opzegging wordt ten minste zes maanden vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar ter kennis gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.
   Ze kan worden beperkt tot bepaalde gebieden waarop het Verdrag van toepassing is.
   De opzegging heeft enkel uitwerking ten aanzien van de Staat die ze heeft ter kennis gebracht. Het Verdrag blijft voor de andere Verdragsluitende Staten van kracht.


Art. 20
   Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland geeft aan de in artikel 14 bedoelde Staten alsmede aan de Staten die zijn toegetreden overeenkomstig de bepalingen van artikel 16, kennis van:
    a) de in artikel 14 bedoelde ondertekeningen en bekrachtigingen;
    b) de datum waarop dit Verdrag in werking treedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, 1e lid;
    c) de toetredingen bedoeld in artikel 16 en de datum waarop zij uitwerking hebben;
    d) de uitbreidingen bedoeld in artikel 17 en de datum waarop zij uitwerking hebben;
    e) de voorbehouden en intrekkingen van voorbehouden bedoeld in artikel 18;
    f) de opzeggingen bedoeld in artikel 19, 3e lid.



   Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
   Gedaan te 's-Gravenhage, de 5e oktober 1961, in de Franse en in de Engelse taal, de Franse tekst zijnde authentiek ingeval er afwijking bestaat tussen deze teksten, in één exemplaar dat zal worden neergelegd in de archieven van de Regering van Nederland en waarvan een eensluidend gewaarmerkt afschrift langs diplomatieke weg zal overgemaakt worden aan de Staten vertegenwoordigd op de negende zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.
Notarieel wetboek
Meer informatie over : De vorm van uiterste wilsbeschikkingen